rul-20260414-atr-000010

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2024, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2023. De gevraagde zekerheid vooraf is beperkt in de tijd, aangezien de rechtsvorm van X nog niet gekwalificeerd is voor het jaar 2025 en verder.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd buiten de Europese Unie (EU). X is onderworpen aan een winstbelasting aldaar. X maakt deel uit van een internationaal opererend concern met een hoofdkantoor buiten de EU en is actief in de handelssector. Er is geen verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing.

Het concern verricht bedrijfseconomische activiteiten binnen en buiten Nederland. X verricht beperkte bedrijfseconomische operationele activiteiten in Nederland. In Nederland vindt door X alleen opslag plaats van eindproducten die als (verkoop)voorraad wordt aangehouden en wat administratieve ondersteuning. X heeft haar logistieke activiteiten, bestaande uit de tijdelijke opslag van de producten, uitbesteed aan een derde partij die als logistieke dienstverlener het magazijnbeheer namens X in Nederland uitvoert.

Er zijn geen natuurlijke personen of vennootschappen werkzaam voor X in Nederland die – formeel dan wel feitelijk – de bevoegdheid hebben om overeenkomsten te sluiten namens X.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, vijfde lid en achtste lid in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het commentaar bij artikel 5 van het OESO modelverdrag uit 2017 ook van belang is voor de uitleg van artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. In paragraaf 3, onderdeel a van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van

een ruling met een internationaal karakter is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3, onderdeel a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar haar aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Er is beoordeeld of X op basis van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, vijfde lid en achtste lid in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb buitenlands belastingplichtig is. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a van de Wet Vpb kan sprake zijn van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.

4. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel b, vijfde lid en achtste lid van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” verstaan het begrip “vaste inrichting” zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van de Wet Vpb. Voor de uitleg van dit begrip wordt grotendeels aangesloten bij de uitleg die hieraan wordt gegeven in het commentaar bij artikel 5 van het OESO modelverdrag uit 2017.

5. Op grond van de relevante bepalingen in de Wet Vpb is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Voorts kan sprake zijn van een vaste vertegenwoordiger indien een lichaam of persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van X en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting.

6. De activiteiten die X verricht in Nederland zijn activiteiten van ondersteunende aard in de zin van de relevante bepalingen van Wet Vpb. Hierdoor leiden de activiteiten van X in Nederland niet tot een vaste inrichting zoals bedoeld in de Wet Vpb.

7. Er is tevens geen sprake van een persoon welke namens X bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Hierdoor is ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van X in Nederland.

Conclusie

X heeft geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland op basis van de relevante bepalingen van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: