-
rul-20260428-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260428-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
-
rul-20260428-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 23 december 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260421-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y1 is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260421-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 18 december 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260421-atr-000009
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. X wordt voor toepassing van de Nederlandse belastingwet aangemerkt als vergelijkbaar met een fonds voor gemene rekening zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260421-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in A. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260421-atr-000012
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260421-atr-000015
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260421-atr-000014
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20260414-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag over de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 3 november 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260414-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
-
rul-20260414-atr-000006
X heeft een dividend uitgekeerd aan haar aandeelhouder Y waarop dividendbelasting is ingehouden. Vervolgens is bezwaar gemaakt tegen de ingehouden dividendbelasting met een beroep op de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. X en de Belastingdienst zijn in overleg getreden en wensen nu een afspraak te maken voor het verleden en voor de gevolgen voor de dividendbelasting van de vereffening en liquidatie van X. De zekerheid vooraf betreft de jaren 2025 en 2026. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y, conform de gemaakte afspraak, voor een deel Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Ten aanzien van het dividend dat zal worden uitgekeerd als gevolg van de vereffening en de liquidatie van X zal een aangifte dividendbelasting worden ingediend binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld aan Y. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2026. Voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het ingediende bezwaarschrift over het eerder uitgekeerde dividend.
-
rul-20260407-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260407-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260407-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A, B en C geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260407-atr-000010
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260407-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260407-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260407-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260407-atr-000011
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000005
Er is een verzoek ingediend en overleg gevoerd voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. De bevestiging dat er geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting is ten onrechte gegeven zonder betrokkenheid van het College Internationale Fiscale Zekerheid. Nadat dit is onderkend is er alsnog een vaststellingsovereenkomst opgesteld en is deze samenvatting opgesteld. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 26 januari 2023 tot en met 31 december 2027.
-
rul-20260331-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 13 oktober 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260331-atr-000010
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2023. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20260331-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000017
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000013
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000023
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000022
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028. 1. Y is voor Nederlandse fiscale maatstaven niet-transparant. 2. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door de betreffende Nederlandse vennootschap dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 3. De aandeelhouders zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 4. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van de Nederlandse vennootschappen in de deelnemingen. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20260331-atr-000019
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260331-atr-000025
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2024. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260324-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
-
rul-20260324-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260311-atr-000010
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is buiten behandeling gesteld. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Toepassing van de inhoudingsvrijstelling zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
-
rul-20260311-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en over de conditionele bronbelasting op dividenden Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak. 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X, Y en Z in de relevante deelnemingen. 2. A is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 3. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 4. A is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan A op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260317-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 27 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260317-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 27 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260317-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing is. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel worden beoordeeld in het kader van het reguliere toezicht.
-
rul-20260317-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260317-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van in de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 23 mei 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260303-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlands samenwerkingsverband naar Nederlandse fiscale maatstaven. Verder is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing is. Dit in navolging van een eerdere overeenkomst die, als gevolg van gewijzigde wet- en regelgeving met betrekking tot de kwalificatie van het buitenlandse samenwerkingsverband, is komen te vervallen. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y kwalificeert voor Nederlandse fiscale maatstaven als transparant. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260303-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260303-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260303-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Het voorgaande zal in beginsel worden beoordeeld in het kader van het reguliere toezicht.
-
rul-20260217-atr-000010
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. X kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en om die reden is er geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. De leden van X zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 16 juli 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260217-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260210-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 17 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260210-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.