-
rul-20260217-atr-000014
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Er is derhalve geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
-
rul-20251223-atr-000023
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de vraag of er sprake is van buitenlandse belastingplicht, de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, de CFC-maatregel en de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2024. 1. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 2. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X1 aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 3. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. 4. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X1 en X2 in de relevante deelnemingen. 5. Met betrekking tot de relevante deelnemingen en de indirecte deelnemingen is artikel 13ab van de Wet Vpb niet van toepassing. 6. Zowel de werkzaamheden van X1 in verdragsland C als de werkzaamheden van X1 in verdragsland D kwalificeren als een vaste inrichting. De winsten toerekenbaar aan deze vaste inrichtingen vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251104-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting in het buitenland en het achterwege laten van toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de periode 25 september 2023 tot en met 31 december 2027, aansluitend op een eerdere vaststellingsovereenkomst tot en met 24 september 2023. De werkzaamheden van X in verdragsland A kwalificeren niet als een vaste inrichting aldaar. De resultaten van de werkzaamheden van X in verdragsland A zijn niet vrijgesteld op grond van objectvrijstelling. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst voor de periode van 25 september 2023 tot en met 31 december 2027.
-
rul-20251007-atr-000009
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. 20251007 ATR 000009
-
rul-20250610-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de deelnemingsvrijstelling, de objectvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, en de inhoudingsvrijstelling van de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2027, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van Y en Z in de relevante deelnemingen. 20250610 ATR 0000022. De winst toerekenbaar aan iedere vaste inrichting valt onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoort derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. 3. W is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 4. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan W geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.
-
rul-20240924-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over het niet van toepassing zijn van de objectvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2022 tot en met 2026. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb voor haar belang in X. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. De objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb is niet van toepassing op de resultaten uit het samenwerkingsverband. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2026.
-
rul-20240730-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, de CFC- maatregel, de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, en de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2027, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het boekjaar 2022. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing bij X op de belangen die zij houdt in de door haar gehouden deelnemingen. Artikel 13ab van de Wet Vpb is niet van toepassing bij X op het door haar indirect gehouden belang in Z. De werkzaamheden van X in een staat buiten de EU kwalificeren als een vaste inrichting. De winsten toerekenbaar aan deze vaste inrichting vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X direct aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Bovenstaande punten zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2027.
-
rul-20231010-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2023. De winsten alloceerbaar aan de vaste inrichting van X in verdragsland B ter zake van de verkrijging van de aandelen in W vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 6 maart 2023 tot en met 31 december 2023.
-
rul-20221004-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over het toerekenen van bezittingen en schulden, waaronder een aandelenpakket, aan een vaste inrichting. Ook wordt zekerheid gevraagd voor de toepassing van de objectvrijstelling op de inkomsten uit de toegerekende bezittingen en schulden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025. De voormalige bezittingen en schulden van Y, waaronder een aandelenpakket, zijn toerekenbaar aan de vaste inrichting van X in verdragsland A. De objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb is van toepassing op de inkomsten uit deze toegerekende bezittingen en schulden. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025.
-
rul-20220719-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van een stakingsverlies en voortzetting van activiteiten door een verbonden lichaam - in het zicht van staking - in het kader van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2022. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
-
rul-20210928-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2023, aansluitend op een eerdere vaststellingsovereenkomst tot met 31 maart 2021. De werkzaamheden van X in verdragsland A kwalificeren niet als een vaste inrichting aldaar. De resultaten van de werkzaamheden in verdragsland A zijn toerekenbaar aan X, gevestigd in Nederland. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst voor de periode van 1 april 2021 tot en met 24 september 2023.
-
rul-20210817-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2021 tot en met 2025. 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing bij Y, Z en W1 op de belangen die zij houden in de buitenlandse deelnemingen. 2. De werkzaamheden van Z in een staat buiten de EU kwalificeren als een vaste inrichting. De winsten toerekenbaar aan deze vaste inrichting vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 15 februari 2021 tot en met 31 december 2025. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling in de nationale situatie.
-
rul-20210525-atr-000011
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2020 tot en met 2024. De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten als bedoeld in artikel 15e van de Wet Vpb is van toepassing op de (door A gehouden) onroerende zaken gelegen in verdragsland A. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 4 februari 2020 tot en met 31 december 2024.
-
rul-20210525-atr-000010
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2020 tot en met 2024. De objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten als bedoeld in artikel 15e van de Wet Vpb is van toepassing op de (door A gehouden) onroerende zaken gelegen in verdragsland A. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 4 februari 2020 tot en met 31 december 2024.
-
rul-20210427-atr-000003
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de kwalificatie van een buitenlandse hybride rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven en de toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2020 tot en met 2024. A is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. De objectvrijstelling van artikel 15e Wet Vpb is van toepassing bij X ten aanzien van de buitenlandse ondernemingswinsten gerealiseerd door A. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 15 december 2020 tot en met 31 december 2024. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en Y ook overeenstemming hebben bereikt over één aspect dat niet valt onder het bereik van het besluit van 19 juni 2019. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling in de nationale situatie.
-
rul-20200107-atr-000001
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de buitenlandse belastingplicht, de inhoudingsvrijstelling, toepassing van de deelnemingsvrijstelling en toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2019 tot en met 2023. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. A is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 en 17a Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen gehouden door Y en Z. De objectvrijstelling is van toepassing voor de buitenlandse ondernemingswinsten met betrekking tot de activiteiten verricht door Y en Z in een land buiten de Europese Unie. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 9 september 2019 tot en met 31 december 2023.