-
rul-20260414-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag over de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 3 november 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 13 oktober 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20260331-atr-000022
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028. 1. Y is voor Nederlandse fiscale maatstaven niet-transparant. 2. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door de betreffende Nederlandse vennootschap dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 3. De aandeelhouders zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 4. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van de Nederlandse vennootschappen in de deelnemingen. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20260324-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260311-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en over de conditionele bronbelasting op dividenden Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak. 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X, Y en Z in de relevante deelnemingen. 2. A is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 3. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 4. A is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan A op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260317-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 27 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260317-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, de toepassing van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant. 2. De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn buitenlands belastingplichtig in Nederland en worden als gerechtigde in X geacht Nederlands inkomen te genieten. 3. De buitenlandse commanditaire vennoten van Z zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland. 4. Y kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. 5. Er is ten aanzien van de investeerders die direct óf via Z investeren in Y, geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 27 oktober 2025 tot en met 31 december 2029. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de Belastingdienst en X ook overeenstemming hebben bereikt over aspecten die niet vallen onder het bereik van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter. Het betreft hier de deelnemingsvrijstelling en de inhoudingsvrijstelling, beiden in de nationale situatie.
-
rul-20260317-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260303-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260303-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260203-atr-000002
Er is een verzoek om zekerheid vooraf ingediend over de vraag of er sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en renten. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2025 die zag op de buitenlandse belastingplicht en de conditionele bronbelasting op renten. W en Y zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. W is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten betaald door X aan W op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
-
rul-20260127-atr-000003
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de voordelen die X1 verkrijgt vanuit de operationele deelnemingen op basis van de oogmerktoets van artikel 13, negende lid en tiende lid van de Wet Vpb, en op de voordelen die X1 verkrijgt vanuit de houdsterdeelneming op basis van de bezittingentoets van artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. Y1, Y2 en Z zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. X1 kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X2 aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X2 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y1 en Y2 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X1 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 20260127 ATR 000003 Paginanummer 7 van 7
-
rul-20251223-atr-000023
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de vraag of er sprake is van buitenlandse belastingplicht, de toepassing van de deelnemingsvrijstelling, de CFC-maatregel en de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met het jaar 2024. 1. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 2. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X1 aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 3. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. 4. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X1 en X2 in de relevante deelnemingen. 5. Met betrekking tot de relevante deelnemingen en de indirecte deelnemingen is artikel 13ab van de Wet Vpb niet van toepassing. 6. Zowel de werkzaamheden van X1 in verdragsland C als de werkzaamheden van X1 in verdragsland D kwalificeren als een vaste inrichting. De winsten toerekenbaar aan deze vaste inrichtingen vallen onder de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet Vpb en behoren derhalve niet tot de Nederlandse grondslag. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251223-atr-000025
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251202-atr-000011
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, of er sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. X kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. De leden van X zijn niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Ten aanzien van winstuitkeringen van X aan haar leden vormen de leden van X geen kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 14 april 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251202-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, of er sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. X kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. De leden van X zijn niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Ten aanzien van winstuitkeringen van X aan haar leden vormen de leden van X geen kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 14 april 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251125-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y1, W en Y2 zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X1 aan Y1 en W, respectievelijk winstuitkeringen van X2 aan Y2, geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X1 respectievelijk X2 dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y1, W en Y2 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X1 respectievelijk X2 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 24 april 2024 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251118-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 18 augustus 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251118-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 20 augustus 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251118-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 6 augustus 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251104-atr-000009
Er is verzocht om zekerheid vooraf ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. 20251104 ATR 000009 Y1 en Y2 zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan respectievelijk Y1 en Y2 op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251028-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid in de zin van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 april 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20251007-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 21 juli 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250930-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 7 juli 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250923-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op renten. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029. 20250923 ATR 000007
-
rul-20250916-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting en over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. 20250916 ATR 000004 Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van X. 2. Y is voor haar belang in X niet buitenlands belastingplichtig als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 3. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 4. Y is niet belastingplichtig voor de voordelen in de vorm van dividenden die zij ontvangt van X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250909-atr-000007
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op rente. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028. X is niet inhoudingsplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van rente betaald aan Y, aangezien Y niet is aan te merken als belastingplichtige op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 14 mei 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20250819-atr-000010
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Tevens vraagt men zekerheid vooraf voor de conditionele bronbelasting op dividenden, renten en royalty’s. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 20250819 ATR 000010Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten en dividenden betaald door X aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250819-atr-000007
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden, renten en royalty’s. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten door X aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250819-atr-000005
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Tevens vraagt men zekerheid vooraf voor de conditionele bronbelasting op dividenden, renten en royalty’s. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 20250819 ATR 000005Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten en dividenden betaald door X aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250819-atr-000001
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Tevens vraagt men zekerheid vooraf voor de conditionele bronbelasting op dividenden, renten en royalty’s. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is naar aanleiding van haar belang in X niet onderworpen aan Nederlandse vennootschapsbelasting op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 20250819 ATR 000001Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van renten en dividenden betaald door X aan Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250812-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 28 mei 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250805-atr-000002
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 8 juli 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250729-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 16 juni 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250729-atr-000001
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 28 april 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250708-atr-000013
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250701-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 25 februari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250610-atr-000009
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250603-atr-000012
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, in vervolg op een eerdere afspraak tot en met 2021. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028. 20250603 ATR 000012 Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y2 en van Y1 aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X c.q. Y1 dat aan alle gestelde voorwaarden van de inhoudingsvrijstelling is voldaan. 2. Z en Y2 zijn niet belastingplichtig voor de voordelen in de vorm van dividenden die zij ontvangen van Y1 respectievelijk X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 3. Z en Y2 zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 23 oktober 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20250603-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting en over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Voorgaande aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Tevens verzoekt men zekerheid vooraf over de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande is het volgende geconcludeerd: 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in D. 2. Z is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. 3. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Z geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 4. Z is niet belastingplichtig voor de voordelen in de vorm van dividenden die zij ontvangt van X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250513-atr-000014
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Ook is zekerheid vooraf gevraagd over de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250429-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 5 maart 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250429-atr-000004
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 4 februari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250408-atr-000012
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, en de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20250408-atr-000008
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, en de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20250401-atr-000004
X heeft verzocht om zekerheid vooraf dat de vestigingsplaatsfictie van artikel 1.3, eerste lid van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB) niet op haar van toepassing is na de voorgenomen omzetting van haar rechtsvorm naar buitenlands recht in een rechtsvorm naar Nederlands recht. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029. De omzetting van de buitenlandse rechtsvorm van X in een Nederlandse vennootschap zal er niet toe leiden dat de vestigingsplaatsfictie van artikel 1.3, eerste lid van de Wet BB van toepassing wordt ten aanzien van X. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
-
rul-20250211-atr-000006
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting (aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022), of de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting van toepassing is en of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028. 1. A en B zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. 2. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 3. A is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan A op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. 20250211 ATR 000006Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 26 februari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20250128-atr-000005
Er is verzocht om zekerheid vooraf voor de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Ook is zekerheid vooraf gevraagd over de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op interest. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2023 tot en met 2027, deels aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022. Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. Voorgaande zal in beginsel in het kader van het reguliere toezicht beoordeeld worden.
-
rul-20241217-atr-000011
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2024 tot en met 2028. Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
-
rul-20241210-atr-000002
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting. Specifiek vraagt men zekerheid vooraf over artikel 2.1, lid 1, onderdeel a en e van de Wet op de bronbelasting 2021. Men wenst zekerheid voor het boekjaar 2024. W en Z zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van de lidmaatschapsrechten verschuldigd door X op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB. W en Z zijn belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van de lidmaatschapsrechten verschuldigd door X op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB maar kunnen een beroep doen op artikel XIIIA van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen. De belastingplicht van de achterliggende participanten zal in beginsel in het reguliere toezicht worden beoordeeld. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 Januari 2024 tot en met 31 december 2024.