rul-20260414-atr-000006

Aanleiding

X heeft een dividend uitgekeerd aan haar aandeelhouder Y waarop dividendbelasting is ingehouden. Vervolgens is bezwaar gemaakt tegen de ingehouden dividendbelasting met een beroep op de toepassing van de inhoudingsvrijstelling. X en de Belastingdienst zijn in overleg getreden en wensen nu een afspraak te maken voor het verleden en voor de gevolgen voor de dividendbelasting van de vereffening en liquidatie van X. De zekerheid vooraf betreft de jaren 2025 en 2026.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X is aandeelhouder in een Nederlandse vennootschap die tot voor kort een materiële onderneming dreef in de dienstverlenende sector. X was actief betrokken bij de aansturing van deze onderneming. In Nederland werden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [1 – 10] werknemers. De onderneming is verkocht aan een derde partij door middel van een activa/passiva transactie waarbij een winst is gerealiseerd.

Y, de directe aandeelhouder van X, is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land A).

De aandelen in Y worden gehouden door Z. Z is een natuurlijk persoon die woonachtig is in land A. Z is bestuurder bij zowel X als Y.

In 2023 heeft X een dividend uitgekeerd aan Y. In geschil is of in het gegeven geval de inhoudingsvrijstelling van toepassing is als bedoeld in artikel 4, tweede lid van de Wet op de dividendbelasting 1965. Dit geschil houdt partijen verdeeld en alles overwegend is in deze casus ervoor gekozen om het geschil op te lossen door middel van een compromis. Dit hangt onder meer samen met het feit dat Z, gezien onder andere zijn leeftijd, X op korte termijn wil vereffenen en liquideren. In het kader van deze vereffening en liquidatie van X zal de resterende winstreserve worden betaald aan Y (al dan niet in de vorm van een liquidatie-uitkering).

Y heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. De rechtsvorm van Y is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Rechtskader

X verzoekt zekerheid vooraf over de dividendbelastinggevolgen van haar vereffening en liquidatie, waarbij ook toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) van belang is. Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van X aan Y.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefende in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts werden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. X wordt gehouden door Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Y, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.

4. Aangezien de opbrengstgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.

5. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. Y wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

6. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikregeling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

7. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de antimisbruikbepaling van artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Partijen zijn uiteindelijk een compromis overeengekomen voor het eerder uitgekeerde dividend en de af te dragen dividendbelasting met betrekking tot de vereffening en liquidatie van X. Op een gedeelte

van de uitkeringen van X aan Y is geen dividendbelasting verschuldigd en op het andere gedeelte is wel dividendbelasting verschuldigd.

Conclusie

Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y, conform de gemaakte afspraak, voor een deel Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Ten aanzien van het dividend dat zal worden uitgekeerd als gevolg van de vereffening en de liquidatie van X zal een aangifte dividendbelasting worden ingediend binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld aan Y.

Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2026. Voorgaande is van overeenkomstige toepassing op het ingediende bezwaarschrift over het eerder uitgekeerde dividend.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: