rul-20251223-atr-000001

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.

Feiten

X is een coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X behoort tot een internationaal concern, dat actief is in de dienstverlenende sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [1 – 10] werknemers.

Het doel van X is om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Het personeel in Nederland werkt voor rekening en risico van X, heeft professionele kennis en ervaring, is verantwoordelijk voor de selectie en aansturing van de investeringen en zal in dat kader verantwoordelijk zijn voor strategische beslissingen. X heeft eigen kantoorruimte ter beschikking.

X zal geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast is een lidmaatschapsrecht in X slechts overdraagbaar na voorafgaande schriftelijke toestemming daartoe door alle leden van X. Deze schriftelijke toestemming kan achterwege blijven in het geval van een overgang van lidmaatschapsrechten onder algemene titel of een overgang van lidmaatschapsrechten onder bijzondere titel krachtens erfrecht. X zal de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister.

Eigendomsstructuur

De leden van X houden gezamenlijk 100% van de lidmaatschapsrechten in X en zijn feitelijk gevestigd in een land buiten de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten.

Er zijn geen in het buitenland wonende natuurlijke personen met een (in)direct belang van 5% of meer in X.

Portfolio-investeringen

X houdt indirect, onder andere via enkele vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in Nederland, de aandelen in verschillende deelnemingen. Deze deelnemingen (“de relevante deelnemingen”) zijn opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de EU of een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten.

Het overgrote deel van de relevante deelnemingen verricht operationele werkzaamheden die

worden aangestuurd door X. Verder fungeren een beperkt aantal van de relevante deelnemingen als houdstervennootschap voor de operationele deelnemingen.

De rechtsvormen van de relevante deelnemingen zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Stb. 2024, 339) als vergelijkbaar met een Nederlandse kapitaalvennootschap. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

Rechtskader

Het verzoek ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat er voor X geen sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting, omdat X niet kwalificeert als houdstercoöperatie zoals gedefinieerd in artikel 1, achtste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB).

Verder ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid dat de leden van X niet onderworpen zijn aan Nederlandse vennootschapsbelasting als buitenlands belastingplichtige op grond van artikel 3, vierde lid in combinatie met artikel 17 en artikel 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).

Ten slotte ziet het verzoek op het verkrijgen van zekerheid over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op de relevante deelnemingen (artikel 13 van de Wet Vpb). Er dient te worden voldaan aan de eisen van artikel 13, tweede lid, van de Wet Vpb, en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen, zoals bedoeld in artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming volgens artikel 13, elfde lid, van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Inhoudingsplicht dividendbelasting

3. Op basis van artikel 1, tweede lid van de Wet DB worden kwalificerende lidmaatschapsrechten in een houdstercoöperatie gelijkgesteld met aandelen in vennootschappen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet DB en wordt een houdstercoöperatie gelijkgesteld met die vennootschappen. Daarmee is een houdstercoöperatie in beginsel inhoudingsplichtig voor de heffing van dividendbelasting.

4. Een houdstercoöperatie is in artikel 1, achtste lid van de Wet DB gedefinieerd als een coöperatie waarvan de feitelijke werkzaamheid in het voorafgaande jaar voor 70% of meer (hoofdzakelijk) heeft bestaan uit het houden van deelnemingen of het direct of indirect financieren van met haar verbonden lichamen of natuurlijke personen. In eerste aanleg wordt aan de hand van het balanstotaal bekeken of aan de grens van 70% wordt voldaan. Ook andere factoren spelen een rol, zoals de soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is en de tijdsbesteding van werknemers. Het betreft een doorgaans-toets, waardoor er afhankelijk van de omstandigheden in het voorafgaande jaar gedurende een korte periode of gedurende een beperkt aantal korte perioden kan worden afgeweken van de grens van 70%. Een coöperatie die zich actief bezighoudt met het beheer van haar investeringen en die in verband hiermee voldoende (kwalitatieve en kwantitatieve) aanwezigheid heeft in Nederland (zoals personeel, kantoorruimte en actieve betrokkenheid bij de onderneming van de deelnemingen), kwalificeert niet als houdstercoöperatie.

5. Op grond van de balans van X kan zij worden aangemerkt als een houdstercoöperatie. Dit betekent dat het van belang is om naar de overige factoren te kijken, waaronder de werkzaamheden van het aanwezige personeel. Zoals in de feiten omschreven verricht het aanwezige personeel van de groep in Nederland voor rekening en risico van X werkzaamheden. Het personeel verricht deze werkzaamheden vanuit een kantoor in Nederland. Op grond van de beschreven feiten en omstandigheden is vastgesteld dat er voldoende kwalitatieve en kwantitatieve aanwezigheid is in Nederland. Dit betekent dat X niet aangemerkt kan worden als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB. Er is derhalve geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

Buitenlandse belastingplicht

6. De leden van X kunnen mogelijk op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a, in combinatie met artikel 17 of 17a van de Wet Vpb als buitenlands belastingplichtig worden aangemerkt. Op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb is sprake van buitenlandse belastingplicht indien een onderneming, of een gedeelte daarvan, in Nederland wordt gedreven door middel van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger. Op basis van de feiten en omstandigheden kan bevestigd worden dat de leden van X geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland hebben.

7. Eveneens is gekeken naar de uitbreiding van het Nederlandse ondernemingsbegrip in artikel 17a van de Wet Vpb. In dat artikel wordt het Nederlandse ondernemingsbegrip uitgebreid met een zevental categorieën. In dit geval wordt niet voldaan aan de bedoelde uitbreidingen van het Nederlandse ondernemingsbegrip.

8. Vervolgens is beoordeeld of de leden van X belastingplichtig zijn op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. De antimisbruikbepaling, die is opgenomen in artikel 17, derde lid, onderdeel b, Wet Vpb, omvat zowel een subjectieve als een objectieve toets. Op grond van de subjectieve toets wordt beoordeeld of het aanmerkelijk

belang in X wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan. De objectieve toets onderzoekt of de constructie of reeks van constructies niet is opgezet op grond van zakelijke redenen. Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd op het niveau van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.

9. Op basis van de subjectieve toets is beoordeeld of het aanmerkelijk belang in X wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen het ontgaan van Nederlandse inkomstenbelasting. In het onderhavige geval houdt geen in het buitenland wonend natuurlijk persoon een direct of indirect belang van ten minste 5% in X. Hieruit volgt dat er geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b, van de Wet Vpb.

10. Nu is vastgesteld dat er niet aan de subjectieve toets wordt voldaan en er dus geen sprake is van het ontgaan van Nederlandse inkomstenbelasting, hoeft er niet meer stil te worden gestaan bij de objectieve toets van de antimisbruikbepaling.

Deelnemingsvrijstelling

11. Er is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de relevante deelnemingen.

12. In de relevante deelnemingen wordt meer dan 5% van de aandelen gehouden. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Zoals in de feiten vermeldt, zijn de rechtsvormen van de relevante deelnemingen opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Dat betekent dat wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.

13. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de relevante deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb. De relevante deelnemingen zijn voor het overgrote deel operationele deelnemingen. Via X wordt er beleidsvormende, financiële en bestuurlijke invloed uitgeoefend in de relevante deelnemingen. De relevante deelnemingen worden derhalve niet als belegging gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de oogmerktoets. Verder houdt X een beperkt aantal deelnemingen die fungeren als houdstervennootschap voor operationele deelnemingen. Ook in dit geval wordt via X beleidsvormende, financiële en bestuurlijke invloed uitgeoefend. De deelnemingen die fungeren als houdstervennootschap worden derhalve ook niet als beleggingen gehouden. Daarmee wordt voldaan aan de oogmerktoets.

14. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van de relevante deelnemingen.

Conclusie

X kwalificeert niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en om die reden is er geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting.

De leden van X zijn niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb.

De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het aandelenbelang in de respectievelijke relevante deelnemingen.

Het voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 21 maart 2025 tot en met 31 december 2029.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: