2070172

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of inhaalverliezen van een buitenlandse vaste inrichting die voor 2012 is gestaakt, kunnen verdampen. Het antwoord is negatief; de objectvrijstelling is niet van toepassing op verliezen die vóór 2012 zijn geleden.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**

**VERTROUWELIJK UITSLUITEND VOOR INTERN GEBRUIK**

**Helpdeskvraag KG IBR**

**Datum:** 26 februari 2016

**Memo:** Vraag 2e verdamping inhaalverliezen op grond van artikel 33b lid Wet Vpb

**Vraag van:**
Verdampen de inhaalverliezen van een buitenlandse vaste inrichting welke gestaakt is voor de inwerkingtreding van de objectvrijstellingsregeling op grond van artikel 33b lid Wet Vpb?

**Antwoord:**
Nee, deze verdampen niet. De objectvrijstelling vindt geen toepassing tot het bedrag aan nog in te halen verliezen, artikel 33b lid Wet Vpb. De uitzondering die is opgenomen in artikel 33b lid Wet Vpb geldt alleen voor vaste inrichtingen die na januari 2012 zijn gestaakt.

**Beschouwing:**
In artikel 33b lid Wet Vpb is de regel neergelegd dat de objectvrijstelling niet van toepassing is voor zover nog verliezen van voor januari 2012 moeten worden ingehouden. Hierop wordt in het derde lid van dit artikel een uitzondering gemaakt voor het geval sprake is van een gestaakte vaste inrichting.

De uitzondering is slechts van toepassing als aan de volgende vier voorwaarden wordt voldaan:
1. De belastingplichtige is wegens de staking van de activiteiten van de vaste inrichting opgehouden winst uit de andere staat te genieten (artikel 33b lid Wet Vpb).
2. De belastingplichtige geniet de komende drie jaar na staking niet wederom winst uit die andere staat (artikel 33b lid Wet Vpb).
3. De belastingplichtige voldoet aan de voorwaarden van artikel 15i leden 1 en 2.
4. Er moet sprake zijn van een op de voet van artikel 15e in aanmerking genomen negatief saldo stakingsverlies, een negatief saldo dat ten tijde van de objectvrijstelling is ontstaan.

Dit stakingsverlies kan alleen in aanmerking worden genomen voor zover:
– De hoogte ervan is gebleken (artikel 15i lid 1 en 2).
– Hiervoor geen tegemoetkoming is verkregen in de andere staat bij de belastingplichtige (artikel 15i lid 2) zelf en/of een met hem verbonden lichaam (artikel 15i lid 1) en/of een derde (artikel 15i lid 1).

**Conclusie:**
Verliezen die een vaste inrichting vóór 2012 heeft geleden zijn rechtstreeks in mindering gekomen van de Nederlandse heffingsgrondslag. Voor de situatie dat de activiteiten van een vaste inrichting werden gestaakt, hoefde Europeesrechtelijk dus geen voorziening te worden getroffen. Worden in de andere staat weer winstgevende activiteiten ontplooid, dan zou de vrijstelling asymmetrisch uitwerken als de eerder in aftrek gebrachte verliezen niet zouden hoeven worden teruggenomen.

Daarnaast zijn er ook geen wettelijke aanknopingspunten voor het laten verdampen van vóór 2012 geleden stakingsverliezen. In de eerste plaats eist de wetgever dat het moet gaan om verliezen waarop de objectvrijstelling van toepassing was (artikel 15i lid Wet Vpb). In de tweede plaats kan een staking zich al in een ver verleden hebben voorgedaan. Het zou op allerlei uitvoeringstechnische problemen stuiten indien de Belastingdienst en de belastingplichtige nu nog zouden moeten nagaan of aan alle voorwaarden is voldaan die aan de staking worden gesteld.

Ik ben daarom van mening dat artikel 33b lid Wet Vpb niet van toepassing is op een belastingplichtige van wie de vaste inrichting voor 2012 is gestaakt. Voor deze belastingplichtige blijven de regels gelden zoals die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van de objectvrijstellingsregeling. Op basis van deze regels dienen dergelijke inhaalverliezen in beginsel altijd ingehouden te worden.

**Ten overvloede:**
Ten overvloede wil ik nog twee punten aanstippen: de afstemming van dit onderwerp met het ministerie en de mogelijke uitwerking van het aangehaalde compartimenteringsarrest.

**Ministerie van Financiën:**
De kennisgroep IBR heeft contact gezocht met degene binnen het ministerie die verantwoordelijk was voor het opstellen van de objectvrijstellingsregeling. Deze heeft bevestigd dat het niet de bedoeling was dat bij de inwerkingtreding van de objectvrijstellingsregeling de inhaalverliezen van voor de inwerkingtreding van de objectvrijstellingsregeling gestaakte vaste inrichtingen komen te vervallen.

**Compartimenteringsarrest:**
In tegenstelling tot de feiten in het compartimenteringsarrest, waarbij er voor en na inwerkingtreding van de wetswijziging sprake was van een deelneming, is er hier geen voor en een na. Voor 2012 was de vaste inrichting immers al opgehouden met bestaan en dus is er na 2012 geen vaste inrichting meer en dus is er geen buitenlands heffingsobject meer en dus was er geen specifieke reden voor overgangsrecht op dat punt, immers die inhaalverliezen zijn al definitief vastgesteld op grond van het oude recht.

**Conclusie:**
Het antwoord op jouw casus is dus gelijk aan de destijds gegeven antwoorden en conform de visie van het Ministerie.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: