AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag naar het tarief waartegen Nederland belasting mag heffen op een dividend uitgekeerd door een Nederlandse vennootschap aan een Amerikaanse Qualifying Subchapter S Subsidiary. De ruling concludeert dat het toepasselijk tarief 15% is en dat het verzoek om een verlaagd tarief moet worden afgewezen.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep IBR winst
Belastingen Grote ondernemingen
12e Contactpersoon
IBR 16 22
Datum: juli 2016
**memo**
Toepassing Verdrag NL – US op een vennootschap met de Corp status
**Inleiding**
In 67 Awr 2016 stelde een vraag over de toepassing van het Verdrag met de Verenigde Staten (hierna het "Verdrag") op een dividend uitgekeerd door een Nederlandse vennootschap aan een zogeheten Qualifying Subchapter S Subsidiary (QSSS). In dit memorandum zullen wij uw vraag beantwoorden.
**Verkorte weergave van de feiten**
Een Nederlandse vennootschap die wordt gehouden door een veelheid aan participanten, fiscaal gevestigd in de Verenigde Staten, heeft gekozen voor de status van Subchapter Corporation (Corp). Het gevolg van deze status is dat de Corp in het algemeen niet onderworpen is aan federale income tax. Bij de aandeelhouders van de Corp wordt hun pro rata aandeel van de Corp inkomsten, verliezen, credits, etc. bij de bepaling van hun federal income tax in aanmerking genomen.
De QSSS is een limited liability company (LLC) opgericht naar het recht van een van de staten van de Verenigde Staten. Deze keuze leidt ertoe dat de QSSS voor federal income tax doeleinden geacht wordt te zijn geliquideerd en dat alle vermogens en inkomensbestanddelen en tax credits worden geacht toe te behoren aan de moedervennootschap, de Subchapter Corporation.
De vennootschap is voornemens een dividenduitkering te verrichten en heeft om een dividendbelastingvergunning verzocht om het tarief van in te houden dividendbelasting op basis van het Verdrag te verlagen naar 67 Awr.
Schematisch weergegeven ziet de situatie er als volgt uit:
De Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen van 18 december 1992, zoals het meest recent gewijzigd op maart 2004.
**Rechtsvraag**
Naar welk tarief mag Nederland belasting heffen op het voorgenomen dividend? Hieronder ligt de vraag wie onder het Verdrag aangemerkt moet worden als de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend.
**Antwoord**
De status van de Corp leidt ertoe dat deze entiteit voor doeleinden van het Verdrag beschouwd moet worden als een persoon die fiscaal transparant is naar het recht van de Verenigde Staten. De status van de QSSS leidt er gelijkelijk toe dat die entiteit voor doeleinden van het Verdrag beschouwd moet worden als een persoon die fiscaal transparant is naar het recht van de Verenigde Staten. De resultaten van deze entiteiten worden immers fiscaal in beginsel toegerekend aan de participanten van de respectieve entiteiten, dus uiteindelijk aan de participanten van de Corp.
Door de werking van artikel 24 vierde lid van het Verdrag heeft dit tot gevolg dat het voorgenomen dividend wordt geacht te zijn verkregen door de participanten in de Corp, mits het dividend bij deze participanten in de VS in de heffing wordt betrokken. Immers, waar de tekst van het Verdrag er wellicht niet geheel duidelijk over is wie de aldaar genoemde inwoner is aan wie het inkomen moet worden toegerekend dat door een transparante entiteit wordt verkregen, wordt deze twijfel weggenomen door de context van het Verdrag. Zowel de Nederlandse memorie van toelichting als de Amerikaanse Technical Explanation wijzen namelijk de achterliggende participanten aan.
Nu deze documenten beide zijn opgesteld namens de verdragsluitende partijen en het Verdrag begeleidden bij de beraadslagingen daarover in de respectieve Parlementen, geven deze de context van de totstandkoming van het Verdrag weer en geven zij er blijk van wat de verdragsluitende partijen met betrekking tot de betekenis van het Verdrag hebben bedoeld en over en weer mochten verwachten.
Nu ieder van deze participanten minder dan 10% van de stemmen in de Corp bezit, kan het verlaagde tarief van 15% op basis van artikel 10 van het Verdrag niet van toepassing zijn. Het verzoek om de dividendbelastingvergunning dient dan ook te worden afgewezen.
Geef een reactie