AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of Nederland verrekening moet verlenen voor ingehouden bronbelasting op aangegroeide rente onder het verdrag met Singapore. De conclusie is dat de betaling van de koopprijs, voor zover deze betrekking heeft op de aangegroeide rente, als interest moet worden beschouwd voor verdragsdoeleinden.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**GEACCEPTEERD ANTWOORD**
**Betreft IBR 19 40 Betaling aangegroeide rente onder het verdrag met Singapore**
28 okt 2019
Een vennootschap gevestigd in Nederland voor verdragsdoeleinden heeft een vordering op een vennootschap inwoner van Singapore voor verdragsdoeleinden. Op deze vordering is gedurende enige jaren de rente niet betaald, maar in lijn met de leningsovereenkomst is de rentedragende schuld blijven toenemen.
De koopprijs is gelijk aan de som van de nominale waarde van de vordering en de aangegroeide onbetaalde rente. Op basis van goed koopmansgebruik is de rente wel jaarlijks bij de heffing betrokken. Bij de verkoop is Singaporese bronbelasting geheven. Deze bedroeg 10% van de aangegroeide rente die begrepen was in de koopprijs.
De vraag is of Nederland verrekening moet verlenen voor de ingehouden bronbelasting. Ik zal hieronder alleen ingaan op de toepassing van het verdrag voorkoming dubbele belasting inkomen en vermogen Singapore-Nederland 1971, het Verdrag, en niet op complicaties in het leven geroepen door valutaschommelingen en timing issues, dat de rente in een ander jaar onderworpen is dan het jaar van de inhouding (zie het besluit van 15 juli 2008).
Waar de casus om draait is of de betaling voor de aangegroeide rente, begrepen in de koopprijs, voor verdragsdoeleinden als interest geduid moet worden. Indien dit zo is, dan is Singapore krachtens artikel 11, tweede lid van het Verdrag gerechtigd om tot 10% van dit bedrag te belasten. Krachtens artikel 24, derde lid van het Verdrag dient Nederland vervolgens verrekening te bieden voor de aldus door Singapore geheven belasting.
De kennisgroep is van mening dat het bedrag als interest dient te worden geduid voor verdragsdoeleinden. Hiervoor zijn twee argumenten.
Het eerste argument kan worden geput uit de tekst van het Verdrag zelf. Uit de laatste volzin van artikel 11, vierde lid van het Verdrag blijkt dat de kwalificatie van de bronstaat bij het duiden van interest doorslaggevend is. Het laatste deel van de definitie van interest die dit artikellid bevat, luidt: "De uitdrukking interest betekent alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld." In het Engels: "The term interest means as well as all other income assimilated to income from money lent by the taxation law of the State in which the income arises."
Nu de betaling van de koopprijs, voor zover deze een betaling vormde voor de aangegroeide rente, onder de belastingwetgeving van de bronstaat Singapore wordt gelijkgesteld met een reguliere rentebetaling, zou deze ook als interest te gelden hebben voor verdragsdoeleinden. Er is wel ruimte voor enige twijfel. Men zou de stelling kunnen betrekken dat de geciteerde frase alleen gaat over inkomsten en dat vermogenswinst geen income maar profit of gain is. Als de betaling een inkomsten betreft, is ook de Singaporese fictie dat het als interest moet worden geduid niet van toepassing.
Het tweede argument is gebaseerd op het commentaar bij het OESO Model Verdrag. In paragraaf 20 van het commentaar bij artikel 11 wordt beschreven dat in de koopprijs van een obligatie ook een bedrag kan bevatten dat staat tegenover aangegroeide onbetaalde rente. In de meeste gevallen zal de bronstaat dit bedrag niet belasten, maar in sommige gevallen wel. In dat geval valt de betaling onder de definitie van interest. In dergelijke gevallen zou het bronland de rentebetaling niet nogmaals moeten belasten bij betaling van rente door de debiteur. Deze paragraaf past goed op de casus.
De bronbelasting is hier verschuldigd op het gedeelte van de koopprijs dat ziet op de aangegroeide rente. Na de overdracht zou deze rente niet meer tot bronbelastingheffing kunnen leiden. Bij betaling van rente door de debiteur is de bronbelasting immers niet van toepassing omdat deze laatste ingezetene van Singapore is. Indien de vordering op haar beurt weer overdraagt aan een buitenlandse entiteit, is de bronbelasting niet van toepassing op rente die bij die overdracht al was aangegroeid.
De conclusie moet dan ook zijn dat de betaling van de koopprijs, voor zover deze ziet op aangegroeide rente, terecht als interest wordt beschouwd. Ook hier is enige ruimte voor twijfel. De twijfel ziet met name op de ouderdom van het Verdrag. Het Verdrag is van 1971 en is daarmee ouder dan de bewuste paragraaf van het commentaar. Het Verdrag is dan wel tweemaal aangepast, eenmaal in 1994 en eenmaal in 2009. Beide keren is de definitie van de term interest ongewijzigd gebleven. Men moet wel vaststellen dat de tekst van het vierde lid van artikel 11 van het Verdrag voldoende overeenkomt met de tekst van het OESO Model Verdrag. Het commentaar is dan wel van na de datum van het aangaan van het Verdrag, het vormt echter een uitleg op basis van de tekst die in essentie niet is gewijzigd. Hier komt bij dat zowel Nederland als Singapore zich hebben onthouden van observaties en voorbehouden met betrekking tot het commentaar, terwijl beide landen (ook Singapore, terwijl Singapore geen OESO-lid is) dat wel geregeld doen. Men zou dus kunnen stellen dat de redenering van het commentaar eigenlijk ook al op de oudere versie van het OESO Model Verdrag van toepassing was en dat de beide verdragsluitende staten zich bij de uitleg hebben neergelegd.
Al met al kan de twijfel niet ten volle worden weggenomen, maar is de kennisgroep van oordeel dat het bovenstaande voldoende is om de betaling voor de aangegroeide onbetaalde rente voor verdragsdoeleinden te beschouwen als interest en de verrekening binnen de beperkingen die daaraan kleven toe te staan.
**Groet**
Geef een reactie