AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de beëindiging van de fiscale eenheid voor THBV en de toepassing van artikel 4 lid 1 van het Besluit fiscale eenheid. Het besluit verduidelijkt dat de fiscale eenheid is beëindigd voor het verlenen van de fusieakte, wat gevolgen heeft voor de belastingplicht.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1856144**
**Vragensteller**
**Behandelaar**
**Korte beschrijving van de casus en de te beantwoorden vraag**
Voorafgaande aan een in gang gezet verkooptraject heeft de verkoper in samenspraak met de koper de assets van de over te dragen activiteiten fiscaal geherwaardeerd. De bij deze transactie te onderkennen winsten zullen worden afgezet tegen de verliezen van de fiscale eenheid. In het traject zijn een aantal stappen te onderkennen waarbij omwille van het verkrijgen van het beoogde resultaat onder meer het triggeren van artikel 15ai aan de orde is als ook het tijdstip van de verbreking van de fiscale eenheid relevant is. Hier speelt de vraag op welk tijdstip de fiscale eenheid is beëindigd. De behandelaar meent dat de fiscale eenheid is beëindigd voor het verlijden van de fusieakte. De [GEANONIMISEERD] meent dat de fiscale eenheid eerst beëindigt na het verkrijgen van [GEANONIMISEERD].
—
**Vraag**
Met ingang van welke datum is de fiscale eenheid ten aanzien van TH BV beëindigd? Meer concreet wordt de kennisgroep gevraagd naar de reikwijdte van artikel [GEANONIMISEERD] lid [GEANONIMISEERD] Besluit fiscale eenheid.
—
**Beschouwing**
Met een verwijzing naar artikel BFE beroept A® zich niet zozeer op de daarin vervatte begunstiging maar zoekt zij aansluiting bij de bedoeling en de toelichting op het artikel. In die toelichting is aangegeven dat voor het in aanmerking nemen van de in dat artikel genoemde termijn reden is als er bijvoorbeeld nog toestemming gegeven moet worden door [GEANONIMISEERD]. Dit lijkt daaruit te volgen dat het toestemmingsvereiste van de [GEANONIMISEERD] onvoldoende is om de overeenkomst op te schorten. Aan een redenering contrario kleeft in het algemeen het bezwaar dat het een uitleg van een bepaling behelst van een tegenovergestelde situatie. Van een dergelijke redenering gaat dus steeds een zwakte uit. Een uitleg die steunt immers niet op de werkelijkheid. Het is daarom de vraag of een via een contrario redenering aangehaalde bepaling de onderwerpelijke situatie wel beoogd te regelen. Dat geldt te meer zoals ook hier het geval is als de aangehaalde bepaling die voor het tegenovergestelde geval wordt aangehaald een begunstiging bevat.
De begunstiging van artikel BFE heeft tot doel voorgevallen waarbij de juridische levering van de aandelen door omstandigheden niet gelijktijdig met economisch eigendom plaatsvindt in een begunstiging te voorzien. Voor die gevallen zal onder voorwaarden ervan worden uitgegaan dat er op het eerdere moment van verkrijging van het economische eigendom wordt voldaan aan de bezitseis. De begunstiging ziet dus niet zozeer op het verbreken maar op het aangaan. Het gevolg van deze begunstiging zal in de regel effect sorteren op de belastingplicht. Zonder de begunstiging zou voor de te voegen vennootschap een ingelast kort boekjaar moeten worden onderkend. Dat wordt voorkomen door de begunstiging.
Het gevolg van deze bepaling kan in voorkomende gevallen ook een ontvoegende vennootschap raken. Immers de vennootschap ten aanzien van wie de fiscale eenheid is beëindigd kan eveneens worden getroffen door een kort boekjaar. Dat doet er niet aan af dat het bepaalde van artikel BFE is geschreven voor de gevallen van de totstandkoming van de fiscale eenheid zoals ook blijkt uit de toelichting zoals die is gegeven bij de invoering van het desbetreffende artikel.
**Fiscale Encyclopedie**
**De Vakstudie Vennootschapsbelasting**
Verder kun je je afvragen of de voorliggende vraag wel bij de juiste vennootschap wordt gesteld. Immers bezien vanuit de verzoeker om het aangaan van de fiscale eenheid lijkt hier een situatie voor te doen waarvoor artikel [GEANONIMISEERD] lid BFE juist lijkt te zijn geschreven. Zie bijvoorbeeld advocaat-generaal Mok bij HR oktober 1984 NJ 1985 74 die het over een van nature altijd zwakke contrario interpretatie heeft.
—
**Aant. 2.1 Juridische levering binnen vijf werkdagen**
**Actueel: 16-05-2018**
De periode van vijf werkdagen is bedoeld om partijen na het sluiten van de koopovereenkomst enkele dagen respijt te geven voor juridische formaliteiten als het opstellen van de notariële akte en andere administratieve verplichtingen. Indien men de juridische levering voortvarend afrondt en dit niet meer dan vijf werkdagen in beslag neemt, wordt de moedervennootschap geacht bij de verkrijging van de gehele economische eigendom ook de gehele juridische eigendom te hebben verkregen.
**Parlementaire behandeling**
In artikel 15 eerste lid van het wetsvoorstel is geregeld dat de belastingplichtige de juridische en economische eigendom dient te bezitten van 95 procent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de andere belastingplichtige op het voegingstijdstip. In artikel [GEANONIMISEERD] van het besluit is daarop een uitzondering gemaakt. In dat artikel is geregeld dat indien het tijdstip van de verkrijging van de economische eigendom is gelegen voor dat van de levering van de juridische eigendom en tussen die tijdstippen niet meer dan vijf werkdagen gelegen zijn, de verkrijging van de juridische eigendom geacht wordt tot stand te zijn gekomen gelijktijdig met die van de economische eigendom. Voorwaarde is wel dat door partijen is beoogd om de juridische levering onverwijld te doen geschieden na de overgang van de economische eigendom.
De leden van de fractie van de VVD lijken deze termijn erg kort. In hun ogen lijkt voor normale gevallen een ruimhartiger beleid meer op zijn plaats. Hoewel de Orde de met deze vijfdagen termijn aangebrachte verzachting van de vereisten op zichzelf toejuicht, is zij van mening dat de voorgestelde periode dermate kort is dat zij in de praktijk te weinig soelaas biedt. Hierbij voert de Orde aan dat bij complexe en veelal langdurige onderhandelingen tot koop en verkoop van ondernemingen het veelvuldig voorkomt dat het moment van de economische eigendomsoverdracht afwijkt van het moment van de juridische levering van de aandelen.
Het argument dat de termijn van vijf werkdagen te kort zou zijn in geval van complexe en langdurige onderhandelingen spreekt mij niet aan. Dergelijke omstandigheden zullen er veeleer toe leiden dat met het tot stand komen van de obligatoire overeenkomst de overdracht van de economische eigendom geruime tijd zal zijn gemoeid dan dat zij zullen bijdragen aan het ontstaan van een tijdsverloop tussen de verkrijging van de economische eigendom en de juridische eigendom. Immers de verkrijging van de economische eigendom zal slechts kunnen plaatsvinden op grond van de uitkomsten van de genoemde onderhandelingen. Komt men niet uit de onderhandelingen, dan zal de koop niet tot stand komen en zal de economische eigendom niet worden overgedragen. Komt men wel uit de onderhandelingen, dan zal de koop tot stand kunnen komen en zijn er in principe geen belemmeringen om de juridische levering tegelijkertijd met de levering van de economische eigendom plaats te laten vinden.
In de praktijk blijkt dat het in de meeste gevallen zeer wel mogelijk is om de levering van de economische en de juridische eigendom tegelijkertijd te laten plaatsvinden. Incidenteel blijkt de levering van de juridische eigendom eerst een of twee dagen later te kunnen plaatsvinden dan de overdracht van de economische eigendom. Om hiermee rekening te houden is in het besluit een termijn van vijf werkdagen opgenomen.
**MvA Kamerstukken 12001 02 26 854 nr 45d**
**Aant. Termijn van vijf werkdagen**
Link: [GEANONIMISEERD]
Alle auteursrechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland of haar licentieverstrekkers en worden uitdrukkelijk voorbehouden. Dit document is gegenereerd op 30-05-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer op www.wolterskluwer.nl.
Geef een reactie