1804126

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de waarde van een conversierecht bij toekenning moet worden meegerekend bij het opgeofferde bedrag van een deelneming. De Kennisgroep concludeert dat deze waarde niet tot het opgeofferde bedrag behoort en dus geen liquidatieverlies kan worden geclaimd.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**Datum:** 19 juli 2021
**Ons kenmerk:** 21 023 0013

**Betreft:** Vraag aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling

Beste,

Je hebt een vraag gesteld aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling. In de bijlage tref je het antwoord en de beschouwing aan op deze vraag. Als je over het antwoord of de beschouwing nog vragen hebt, aarzel dan niet om contact op te nemen. Mijn contactgegevens staan bovenaan deze brief.

Met vriendelijke groet,

**21 023 0013 Converteerbare obligatielening en liquidatieverlies 13d**
**Datum:** 19 juli 2021

**Aanleiding**
[GEANONIMISEERD]

**Vraag**
Aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling (hierna Kennisgroep) is de vraag voorgelegd of [GEANONIMISEERD] de waarde van het conversierecht op het moment van toekenning tot het opgeofferde bedrag van deelneming [GEANONIMISEERD] kan rekenen.

**Antwoord**
De Kennisgroep is in casu van mening dat [GEANONIMISEERD] de waarde van het conversierecht op het moment van toekenning niet tot het opgeofferde bedrag van deelneming [GEANONIMISEERD] kan rekenen. De waardemutaties van een conversierecht na toekenning zijn aan te merken als vrijgestelde voordelen uit deelneming. Een conversierecht is echter geen deelneming. De waarde van een conversierecht bij toekenning verhoogt het opgeofferde bedrag niet en kan bij liquidatie van de deelneming dan ook niet als liquidatieverlies in aftrek worden gebracht.

**Casus**
Bij de beantwoording van de vraag is de Kennisgroep van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan:
[GEANONIMISEERD]

**Beschouwing**
Een conversierecht is vergelijkbaar met een calloptie met een uitoefenprijs gelijk aan de nominale waarde van de lening. De waarde van het conversierecht bij verstrekking is dan te beschouwen als de optiepremie. Deze waarde van een conversierecht bij verstrekking wordt als volgt berekend: Eerst wordt de lening contant gemaakt tegen de rente op een vergelijkbare lening zonder conversierecht. Vervolgens wordt deze contante waarde in mindering gebracht op de nominale waarde van de lening.

Op grond van BNB 2008 is de jaarlijkse oprenting van de contante waarde van de lening tot de nominale waarde belast. De waarde van het conversierecht zal gedurende de looptijd muteren door de waardeverandering van de aandelen. Op grond van BNB 2003 34 en BNB 2008 zijn deze waardemutaties als voordeel uit deelneming aan te merken en vallen deze waardemutaties onder de deelnemingsvrijstelling.

Overeenkomstig het Besluit Deelnemingsvrijstelling betekent dit echter niet dat het conversierecht zelf als deelneming is aan te merken.

Gelet hierop en het gegeven dat de liquidatieverliesregeling van artikel 13d lid Wet Vpb 1969 een deelneming vereist, behoort de waarde van het conversierecht bij verstrekking, de optiepremie, niet tot het opgeofferd bedrag van een deelneming. Hierdoor kan voor deze waarde geen liquidatieverlies worden geclaimd.

**Bronnen**
Art 13d lid Wet Vpb
De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies).

BNB 2003 34 (Falconsarrest)
De deelnemingsvrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken. Indien het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel wordt opgesplitst, zoals in casu door het schrijven van een optie op dat aandeel, strookt het met die strekking bij beide belastingplichtigen bij dat aandeel de deelnemingsvrijstelling toe te passen, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt voor alle voor- en nadelen van dat aandeel, een en ander met inachtneming van het navolgende.

Het in punt vermelde uitgangspunt brengt ook mee dat het resultaat op een optie op tot een deelneming behorende aandelen eveneens onder de deelnemingsvrijstelling valt indien de optie uiteindelijk niet of niet geheel wordt uitgeoefend. Dit heeft tot gevolg dat dan de door de houder van een calloptie betaalde vergoeding en de door de schrijver van een putoptie ontvangen vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Dit is anders indien de houder respectievelijk de schrijver van de optie bij uitoefening van de optie geen deelneming zou hebben verkregen.

BNB 2008
Het middel dat zich tegen dit oordeel richt slaagt. Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1996 nrs 30 045 en 30 046 BNB 1996 299 en BNB 1996 300, brengt een redelijke wetstoepassing die mede recht doet aan de samenhang die dient te bestaan tussen de heffing van inkomsten en vennootschapsbelasting met zich dat de emittent van een converteerbare obligatielening ter zake van het toegekende conversierecht geen bedrag ten laste van de winst kan brengen. Dit brengt echter niet mee dat voor degene die converteerbare obligaties houdt in het kader van zijn onderneming, in weerwil van hetgeen voortvloeit uit het fiscale winstbegrip, belastingheffing achterwege dient te blijven ter zake van de waarde van dat conversierecht bij de verkrijging ervan.

Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen met betrekking tot de waardeontwikkeling van het conversierecht na de verkrijging ervan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2005 nr 40 038 BNB 2005 260, staat de houder van de converteerbare obligatie tot de vennootschap tegenover welke het conversierecht kan worden uitgeoefend in een rechtsbetrekking die zodanig overeenkomt met die van een aandeelhouder dat alle transacties tussen hem en die vennootschap op gelijke voet als geldt voor de aandeelhouder buiten de winst sfeer worden afgewikkeld (vgl ook HR 21 februari 2001 nrs 35 074 en 35 639 BNB 2001 160 en BNB 2001 161). Dit brengt mee dat, anders dan de Hoge Raad in het arrest van 16 december 1981 nr 20 914 BNB 1982 72 heeft geoordeeld, de voordelen uit het aan een converteerbare obligatie verbonden conversierecht voor de houder van de converteerbare obligatie zijn aan te merken als voordelen uit hoofde van toekomstig aandeelhouderschap en kunnen vallen onder de in artikel 13 van de Wet vervatte deelnemingsvrijstelling indien de bij conversie te verkrijgen aandelen bij de houder van de converteerbare obligatie onder de deelnemingsvrijstelling zouden vallen. Niet van belang daarbij is of het conversierecht ziet op bestaande aandelen of op nieuw uit te geven aandelen (vgl HR 22 april 2005 nr 40 562 BNB 2005 254).

**Besluit deelnemingsvrijstelling**
De voordelen uit een optierecht op aandelen vallen onder de deelnemingsvrijstelling als deze aandelen op zichzelf beschouwd na de uitoefening van dit optierecht als een deelneming zouden kwalificeren (zie Hoge Raad 22 november 2002 nr 36272 ECLI NL HR 2002 AD8488, het zogenoemde Falconsarrest). Om het voordeel uit het optierecht daadwerkelijk de deelnemingsvrijstelling te brengen, moeten naar mijn mening de aandelen waarop het optierecht betrekking heeft bij een calloptie of putoptie bovendien in het bezit zijn van de optieschrijver respectievelijk de optiehouder en bij deze partij tot een deelneming behoren (zie het Falconsarrest in combinatie met Hoge Raad 23 september 2016 nr 15 02428 ECLI NL HR 2016 2124). Het Falconsarrest brengt echter niet mee dat de kwalificerende optierechten als een deelneming worden aangemerkt.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *