1708123

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de inhoudingsvrijstelling voor dividendbelasting kan worden geweigerd bij liquidatie uitkeringen aan vennootschappen die aandelen in verbonden lichamen opkopen. De kennisgroep concludeert dat als de opkoop en liquidatie vergelijkbaar zijn met het indirect inkopen van eigen aandelen, de inhoudingsvrijstelling kan worden geweigerd.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**Kennisgroep**
**Dividendbelasting**
**VERTROUWELIJK**

**Helpdeskvraag**
Dividendbelasting, artikel 4, lid 4 en lid 7 van de Wet op de dividendbelasting 1965

**Datum inbreng**: november 2018

**Vraag**
Kan toepassing van de inhoudingsvrijstelling worden geweigerd op de liquidatie-uitkering aan een vennootschap die de aandelen in een verbonden lichaam opkoopt in het vooruitzicht van de liquidatie van dat lichaam?

**Antwoord**
Ja, indien het karakter van de opkoop en liquidatie vergelijkbaar is met het indirect inkopen van eigen aandelen zoals beschreven in de onderdelen en van het verzamelbesluit. In dat geval is de opkoper namelijk dienstverlener en geen uiteindelijk gerechtigde. Voor de vergelijkbaarheid is onder andere van belang dat het gaat om een vooropgesteld plan waarbij het te liquideren lichaam partij is en de opkoper geen risico loopt. Daarbij komt dat de kennisgroep voor deze vergelijking een liquidatie materieel hetzelfde vindt als een inkoop van eigen aandelen en de in het besluit beschreven situatie ook relevant acht voor vennootschappen die niet beursgenoteerd zijn.

**Feiten**
In het kort zijn de feiten als volgt:
[GEANONIMISEERD]

**Beschouwing**
In de kern stellen de vraagstellers de vraag of bovenstaande kwalificeert als dividendstripping. De kennisgroep meent dat wat hier gebeurt een duidelijk opzet is om de dividendbelasting af te schudden. Zoals verderop beargumenteerd lijkt met in stelling brengen van de bepalingen inzake dividendstripping geen kansrijk standpunt. De kennisgroep heeft de vraag daarom breder geïnterpreteerd, namelijk of de gepresenteerde aandeelhouder wel kan worden beschouwd als de uiteindelijk gerechtigde van de liquidatie-uitkering dan wel de dividenduitkering in het kader van de liquidatie.

Wat gebeurt er nou eigenlijk?
De hierboven beschreven stappen hebben in feite de volgende effecten:
– Door middel van de eerste stap wordt BV afgezien van de vordering op de koper en ontdaan van zijn assets.
– Het doel van de volgende twee stappen is om de vermogensbestanddelen die de facto overeenkomen met de liquidatie-uitkering die BV gedaan zou hebben in het initiële plan in bezit van de [GEANONIMISEERD] te brengen.
– De vierde stap is feitelijk de laatste stap van het opzetje waarbij de vennootschap ook daadwerkelijk wordt opgedoekt.

Feitelijk gaan dus alle vermogensbestanddelen van BV over naar BV en de [GEANONIMISEERD] gevolgd door de liquidatie van de vennootschap. Materieel bezien wordt de vennootschap dus geliquideerd en komen de opbrengsten ten goede aan de aandeelhouders, gelijk aan het initiële plan enkel liquideren van BV. Er zijn geen zakelijke redenen aangevoerd noch te bedenken waarom deze ingewikkelde route zou worden bewandeld om dit te bewerkstelligen in plaats van het enkel liquideren van BV.

De kennisgroep meent dan ook dat er hier sprake is van een opzet om de heffing van de dividendbelasting te verijdelen.

**Is er sprake van dividendstripping?**
Daarmee komt de kennisgroep eerst toe aan de vraag zoals deze in enge zin is voorgelegd, namelijk of er sprake is van dividendstripping in de zin van artikel 4, lid 4 van de Wet op de dividendbelasting.

Van dividendstripping is in casu kort gezegd sprake indien aan de volgende vijf cumulatieve voorwaarden wordt voldaan:
1. Er is sprake van een samenstel van rechtshandelingen waarbij BV een tegenprestatie heeft verricht, terwijl de liquidatie-uitkering het dividend geheel of gedeeltelijk direct of indirect ten goede komt aan de [GEANONIMISEERD].
2. De [GEANONIMISEERD] verkeert in een minder gunstige dividendbelastingpositie dan BV.
3. De [GEANONIMISEERD] behoudt of verwerft een positie in aandelen, winstbewijzen of vorderingen op directe of indirecte wijze die vergelijkbaar is met de positie in soortgelijke aandelen voorafgaand aan het moment waarop het samenstel van transacties een aanvang heeft genomen.

De vraagstellers hebben de eerste vier voorwaarden in hun memo van november 2018 behandeld en hebben geconcludeerd dat aan die voorwaarden is voldaan. De kennisgroep deelt die conclusie maar constateert ook dat de laatste voorwaarde in dat memo onbesproken blijft.

Op 20 november 2018 hebben de vraagstellers nog een addendum ingediend waarin op de laatste voorwaarde wordt ingegaan. Uit de aangeleverde feiten volgt, naar de kennisgroep begrijpt, dat de juridische eigendom van de aandelen in BV niet terugkeert bij de [GEANONIMISEERD]. Dit lijkt veel op een zusterverhouding die ook niet onder de dividendstrippingsregels van artikel 4, lid 4 van de Wet DB 1965 valt.

Mogelijk kan wel het economisch belang [GEANONIMISEERD] bij die aandelen steeds bij de [GEANONIMISEERD] zijn gebleven. In dat geval kan op basis van de dividendstrippingsregels worden gesteld dat BV niet de uiteindelijke gerechtigde tot de liquidatie-uitkering dan wel dividenduitkering is. Het is aan de vraagstellers om nader te onderzoeken of het economisch belang bij de aandelen in BV dan wel haar vermogensbestanddelen is overgaan naar BV.

**Zijn er nog andere argumenten voor weigering van de inhoudingsvrijstelling?**
De kennisgroep meent dat er nog een ander argument is op grond waarvan de inhoudingsvrijstelling geweigerd kan worden. Het argument is dat BV gezien moet worden als dienstverlener waardoor zij niet de uiteindelijk gerechtigde van de liquidatie-uitkering is.

BV kan worden gezien als dienstverlener als het karakter van de opkoop en liquidatie vergelijkbaar is met het indirect inkopen van eigen aandelen zoals beschreven in de onderdelen en van het verzamelbesluit.

De kennisgroep vindt dat de positie van BV gelijk kan worden gesteld met die van de opkopende vennootschap en de liquidatie-uitkering door BV met hetgeen betaald wordt ter inkoop van de aandelen, mits het karakter van de handelingen vergelijkbaar is. Hiervoor is onder andere van belang dat het gaat om een vooropgesteld plan waarbij BV ook partij is en BV geen risico loopt.

De kennisgroep geeft de vragensteller mee dit nader te onderzoeken en feiten te verzamelen die dit onderbouwen.

Dat de passage in het verzamelbesluit betrekking heeft op beursaandelen en dat BV geen beursvennootschap is, maakt geen verschil. De kennisgroep ziet namelijk geen reden waarom de dividendbelastinggevolgen voor niet-beursaandelen anders zou uitpakken.

Verder heeft de betreffende passage betrekking op de inkoop van aandelen en wordt niet gerept over een liquidatie-uitkering. De kennisgroep ziet ook daarin geen onderscheidend verschil. Een liquidatie is materieel niet veel anders dan de inkoop van alle aandelen.

**Fraus legis**
De kennisgroep vraagt zich voorts af of de voorliggende casus niet kan worden bestreden met fraus legis. De constructie lijkt namelijk opgezet met als doorslaggevend doel de verijdeling van belastingheffing. De gekozen weg komt naar de mening van de kennisgroep in strijd met doel en strekking van de dividendbelasting.

In dat kader kan ook worden gewezen op de jurisprudentie inzake het tussenschuiven van vennootschappen en de holdingjurisprudentie. In die jurisprudentie, gewezen onder de wet op de inkomstenbelasting 1964, konden opzetjes als de bovenstaande worden bestreden met fraus legis. De kennisgroep zou die vraag graag eens aan de rechter voorleggen.

**Ten slotte**
Ten slotte valt het de kennisgroep op dat de vraagstellers bij het berekenen van de verschuldigde dividendbelasting uitgaan van de omvang van de liquidatie-uitkering. De kennisgroep geeft de vraagstellers mee dat in geval van een liquidatie-uitkering de opbrengst bestaat uit hetgeen bij de liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddelde op de desbetreffende aandelen gestorte kapitaal.

Met andere woorden, indien de opbrengst ter beschikking wordt gesteld in de vorm van een liquidatie-uitkering, dan dient rekening te worden gehouden met het bedrag dat op de aandelen is gestort. Over dat deel is geen dividendbelasting verschuldigd.

Verder merkt de kennisgroep op dat de vraagstellers in de vraag niet ingaan op de toepassing van belastingverdragen. Daar zullen de vraagstellers ook nog naar moeten kijken alvorens tot naheffing over te gaan.

Ten slotte merkt de kennisgroep nog op dat BV voorafgaand aan het verrichten van het samenstel aan rechtshandelingen reeds geld heeft uitgeleend aan de [GEANONIMISEERD]. Mogelijk kan uit de feiten worden afgeleid dat dit in feite geen verstrekking van leningen betrof maar dividenduitkeringen vormden. Daarbij zou kunnen worden gekeken of er een daadwerkelijke aflossingsverplichting was.

Verder geeft de kennisgroep de vraagstellers mee dat zij ook moeten controleren of BV de deelnemingsvrijstelling wel mag toepassen op zijn belang in BV. Daar gaat de kennisgroep dividendbelasting echter niet over.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *