AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat dividendstripping niet kan worden ingeroepen na een zusterreorganisatie. H2BV wordt aangemerkt als de uiteindelijke gerechtigde van de dividenden, en er wordt opgemerkt dat verder onderzoek naar artikel 17 van de Wet Vpb nodig is.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep
Dividendbelasting
PERSOONLIJK VERTROUWELIJK
**Helpdeskvraag DIV 019 024 004**
Dividendbelasting artikel lid van de Wet DB 1965 dividendstripping
**Datum inbreng**
februari 2019
**Vraag**
Kan ten aanzien van een dividenduitkering die wordt gedaan na een zusterreorganisatie zoals beschreven in de casus van 19 december 2018 worden gesteld dat de nieuwe aandeelhouder niet als uiteindelijke gerechtigde kan worden aangemerkt op grond van het leerstuk dividendstripping als bedoeld in artikel zevende en achtste lid van de Wet op de dividendbelasting?
**Antwoord**
Nee, de kennisgroep meent dat de voorgestelde structuur niet kan worden bestreden met het leerstuk van dividendstripping als neergelegd in artikel zevende en achtste lid van de Wet op de dividendbelasting 1965. De kennisgroep geeft de vraagstellers nog wel mee om na te gaan of mogelijk artikel 17 derde lid onderdeel van de Wet Vpb van toepassing is.
**Casus**
Voor de volledige feiten en omstandigheden wordt verwezen naar het memo van 19 december 2018. In het kort komt het erop neer dat een natuurlijk persoon woonachtig is in België en aandelen houdt in een Nederlandse vennootschap CH2 BV en tevens in een Belgische BVBA. De Belgische BVBA houdt op haar beurt weer aandelen in een Nederlandse vennootschap HI BV. Via een aantal stappen worden de door de Belgische BVBA gehouden aandelen in de Nederlandse vennootschap HI BV verhangen naar de al bestaande Nederlandse vennootschap H2 BV en wordt de Belgische BVBA geliquideerd. Bij de behandelaars komt de vraag op of mogelijk dividendstripping gesteld kan worden.
**Beschouwing**
Van dividendstripping is sprake indien:
1. De tussenhoudster een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij aannemelijk is dat de tussenhoudster in een betere situatie verkeert dan de indirecte aandeelhouders ten aanzien van de toepassing van de inhoudingsvrijstelling dan wel de verrekening of teruggaaf van dividendbelasting; en
2. De indirecte aandeelhouder een positie in aandelen behoudt of verkrijgt die vergelijkbaar is met zijn positie voorafgaand aan de aanvang van het samenstel van transacties.
Naar de mening van de kennisgroep gaat het bij de derde voorwaarde van dividendstripping, het behouden van een positie die vergelijkbaar is met de situatie voorafgaand aan het samenstel van transacties, fout. Uit het memo volgt dat de adviseur van mening is dat je dient te toetsen op het niveau van de directe aandeelhouder zijnde de BVBA. De vraagstellers menen dat de wettekst een ruimere uitleg mogelijk maakt omdat er gesproken wordt over indirecte belangen.
Uit de parlementaire geschiedenis volgt duidelijk dat met betrekking tot de rechtspersoon welke de tegenprestatie verkrijgt, in casu BVBA, beoordeeld dient te worden of deze rechtspersoon een direct of indirect belang heeft behouden bij de aandelen. Dit is niet het geval omdat BVBA na afloop van het samenstel van transacties niet meer bestaat omdat zij is geliquideerd. Er bestaat geen ruimte voor een ruimere interpretatie van de wettekst.
Het voorgaande betekent dat in deze betreffende casus dividendstripping niet met succes gesteld kan worden. Voor de volledigheid meent de kennisgroep dat met de term indirect belang wordt gedoeld op indirecte belangen van de rechtspersoon die de tegenprestatie verkrijgt, in casu BVBA, en niet dat de toets van het behouden van het belang op een ander niveau aangelegd kan worden.
**Conclusie**
Op grond van het voorgaande concludeert de kennisgroep dividendbelasting dat dividendstripping niet met succes in stelling kan worden gebracht in deze casus. H2 BV heeft daarom te gelden als de uiteindelijk gerechtigde van de dividenden die worden ontvangen van HI BV. Wel geeft de kennisgroep de vraagstellers mee om te onderzoeken of mogelijk artikel 17 derde lid onderdeel van de Wet Vpb van toepassing is. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat het verstrekken van zekerheid vooraf over het achterwege blijven of de toepassing van artikel 17 derde lid onderdeel van de Wet Vpb is voorbehouden aan het ATR team te Rotterdam.
[GEANONIMISEERD]
Zie MvA Kamerstukken 2001 02 27 896 en 28 246 nr 117b
Geef een reactie