1695765

AI-samenvatting

Deze uitspraak behandelt de vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd aan een inhoudingsplichtige die artikel 4c van de wet op de dividendbelasting 1965 toepast zonder aangifte te doen. De conclusie is dat als er geen dividendbelasting verschuldigd is, er ook geen aangifteplicht bestaat.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep dividendbelasting
**VERTROUWELIJK**
Datum: 4 april 2019
Versienummer: Helpdeskvraag DIV 019 024 008
Referentienummer: DIV 019 024 008
Auteur:

**Dividendbelasting: Artikel 4c Wet DB 1965 inkoop van aandelen**

**Vraag**
Kan aan een inhoudingsplichtige die artikel 4c van de wet op de dividendbelasting 1965 toepast een naheffingsaanslag worden opgelegd indien die inhoudingsplichtige geen aangifte dividendbelasting heeft gedaan?

**Casus**
Een beursgenoteerde vennootschap heeft eigen aandelen ingekocht met het oog op het nakomen van optieverplichtingen aan een werknemer. Na verloop van tijd is door de betreffende werknemer afgezien van de optierechten, waarna de vennootschap de aandelen civielrechtelijk heeft ingetrokken.

**Beschouwing**
De inkoop ter afdekking van de optieverplichting kwalificeert als inkoop ter tijdelijke belegging. Uit dien hoofde was geen dividendbelasting verschuldigd. Op grond van het derde lid van artikel van de Wet op de dividendbelasting 1965 worden de aandelen drie maanden na het vervallen van de optieverplichting geacht te zijn ingekocht tegen de waarde in het economisch verkeer op dat tijdstip. Deze inkoop betreft een inkoop ter amortisatie waarop artikel 4c Wet DB kan worden toegepast.

Voor zover toepassing van artikel 4c van de Wet op de dividendbelasting 1965 ertoe leidt dat geen dividendbelasting verschuldigd is, mag inhouding van dividendbelasting achterwege blijven. Volgens artikel vierde lid moet de ingehouden belasting op aangifte worden afgedragen. Indien de toepassing van artikel 4c ertoe leidt dat er geen inhouding plaatsvindt ter zake van de inkoop, hoeft ook geen aangifte dividendbelasting te worden gedaan. Indien er na toepassing van artikel 4c nog wel deels dividendbelasting verschuldigd is over de inkoop, dient wel aangifte te worden gedaan voor het volledige bedrag van de inkoop en daarbij een beroep op artikel 4c gedaan te worden. Zie Kamerstukken II 2000 01 27 896, antwoord op vraag 51.

De latere civielrechtelijke intrekking van de aandelen is geen relevant feit voor de dividendbelasting. Met een naheffingsaanslag moet een situatie worden bereikt die in beginsel gelijk is met de situatie dat er op de juiste wijze zou zijn ingehouden en op aangifte afgedragen.

**Conclusie**
Drie maanden na het vervallen van de werknemersoptie worden de aandelen als ingekocht beschouwd tegen de waarde in het economisch verkeer op dat moment. Op die inkoop kan de inhoudingsplichtige artikel 4c Wet DB toepassen. Het is aan de vraagsteller om na te gaan of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 4c werd voldaan en hoeveel dividendbelasting dan verschuldigd zou zijn geweest. Indien geen dividendbelasting verschuldigd was, dan was er ook geen aangifteplicht. Was er wel dividendbelasting verschuldigd, dan had men dividendbelasting moeten inhouden en afdragen en aangifte moeten doen. Is dat niet gedaan, dan moet een naheffingsaanslag en wellicht ook een boete worden opgelegd. De latere civielrechtelijke intrekking van de aandelen is geen belastbaar feit voor de dividendbelasting.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *