rul-20260609-atr-000010

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een commanditaire vennootschap, of sprake is van een omgekeerd hybride lichaam en de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X is een commanditaire vennootschap aangegaan naar het recht van Nederland. De beherend vennoot van X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een Nederlands concern met een hoofdkantoor in Nederland, dat actief is in de dienstverlenende sector. De groep waartoe X behoort, houdt zich bezig met het investeren in verschillende portfoliovennootschappen. Dit doet de groep met kapitaal ingebracht door verschillende investeerders in verschillende investeringsfondsen. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [26 – 75] werknemers.

Het doel van X is om investeerders samen te brengen (poolen) om zodoende door hen ingelegd kapitaal te investeren. De investeerders in X zullen als commanditaire vennoten toetreden. Het ingelegde kapitaal van X wordt ingebracht in een investeringsfonds van de groep. X oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen.

In de overeenkomst van X is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X uitsluitend kunnen worden vervreemd aan X zelf.

Mogelijk kwalificeert X op grond van het fiscale recht van het land van vestiging van de buitenlandse commanditaire vennoten als niet transparant. X kwalificeert als alternatieve beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 4, vijfde lid van de Algemene wet inzake rijksbelasting (AWR).

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van X naar Nederlandse fiscale maatstaven. Voor de kwalificatie van de commanditaire vennootschap zijn de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen en het begrip fonds voor gemene rekening als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb), artikel 8, derde lid van de Wet Vpb juncto artikel 2.14bis van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) en het Fondsenbesluit 2025 relevant.

Tevens verzoekt men om te bevestigen dat X geen omgekeerd hybride lichaam is als bedoeld in artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb. Relevant hierbij is het standpunt van 23 mei 2024 van de Kennisgroep Belastingplicht & Kwalificatie rechtsvormen, KG:211:2024:9.

Ten slotte wordt zekerheid vooraf gevraagd dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a juncto artikel 17a van de Wet Vpb ten aanzien van de buitenlandse commanditaire vennoten van X.

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functie van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

3. Op basis van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen is X, zijnde een commanditaire vennootschap, transparant. Van deze kwalificatie wordt afgeweken indien de commanditaire vennootschap vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening of transparant fonds als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb respectievelijk artikel 2.14bis, zevende lid, van de Wet IB.

4. Om te kwalificeren als fonds voor gemene rekening dient X te voldoen aan de vereisten van artikel 2, vierde lid van de Wet Vpb, waarbij het Fondsenbesluit 2025 relevant is. Er kan slechts sprake zijn van een fonds voor gemene rekening indien het fonds ter verkrijging van voordelen voor de deelgerechtigden voor gemene rekening belegt of anderszins gelden aanwendt. Ook geldt als eis dat sprake moet zijn van verhandelbare bewijzen van deelgerechtigdheid. Dit betekent dat alleen sprake kan zijn van een fonds voor gemene rekening als de bewijzen van deelgerechtigdheid (ook) aan derden kunnen worden vervreemd. Ook de verkoop aan een groepsmaatschappij en de verkoop aan bloed- en aanverwanten vormen in dit verband een vervreemding aan een derde. De bewijzen van deelgerechtigdheid worden niet als verhandelbaar aangemerkt indien vervreemding uitsluitend kan plaatsvinden aan het fonds zelf.

5. In de overeenkomst van X is bepaald dat de bewijzen van deelgerechtigdheid in X uitsluitend kunnen worden vervreemd aan X zelf. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat X voor de toepassing van de Nederlandse belastingwet niet vergelijkbaar is met een fonds voor gemene rekening zoals bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet Vpb. Dit betekent dat X op grond van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen transparant is naar Nederlandse fiscale maatstaven.

6. Voor wat betreft de definitie van het transparante fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB gelden er drie vereisten. Aan de drie vereisten (een (i) afgescheiden vermogen dat (ii) belegt voor (iii) gemene rekening) om aangemerkt te worden als transparant fonds in de zin van artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB

wordt wel voldaan. Derhalve kwalificeert X als een transparant fonds als bedoeld in artikel 2.14bis, zevende lid van de Wet IB.

7. Vervolgens is gekeken naar artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid van de Wet Vpb om vast te stellen of X kwalificeert als een omgekeerd hybride lichaam. Op grond van deze bepaling wordt onder een omgekeerd hybride lichaam niet verstaan, kort gezegd, een samenwerkingsverband dat belegt in effecten, een gediversifieerde portefeuille aanhoudt en dat kwalificeert als een instelling voor collectieve belegging in effecten of een alternatieve beleggingsinstelling.

8. X is een alternatieve beleggingsinstelling in de zin van artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Op grond hiervan kwalificeert X niet als een omgekeerd hybride lichaam in de zin van artikel 2, elfde lid in combinatie met artikel 2, twaalfde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.

9. Op grond van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb kan een buitenlandse vennootschap aangemerkt worden als buitenlands belastingplichtige indien zij deelneemt in een in Nederland gedreven onderneming. Dit betekent dat de buitenlandse commanditaire vennoten in de commanditaire vennootschap buitenlands belastingplichtig kunnen zijn indien de commanditaire vennootschap een onderneming drijft naar Nederlandse fiscale maatstaven.

10. X oefent geen activiteiten uit in Nederland die het beleggingscriterium ontstijgen. X drijft derhalve geen materiële onderneming in Nederland. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat de buitenlandse commanditaire vennoten van X niet worden geacht in Nederland inkomen te genieten op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel a, in combinatie met de fictie van artikel 17a, onderdeel b, van de Wet Vpb middels een vaste inrichting in Nederland.

Conclusie

X is voor Nederlandse fiscale maatstaven transparant.

X kwalificeert niet als omgekeerd hybride lichaam.

De buitenlandse commanditaire vennoten van X zijn niet buitenlands belastingplichtig in Nederland.

Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 6 februari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: