Aanleiding
Er is een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf over de toepassing van de Wet minimumbelasting 2024 (Wmb 2024) ten aanzien van activiteiten waarop de tonnageregeling wordt toegepast. Men wenst zekerheid voor de verslagjaren 2024 tot en met 2028.
Feiten
X is een in Nederland gevestigde vennootschap en maakt onderdeel uit van een concern dat internationaal actief is in de zeescheepvaartsector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X en haar in Nederland gevestigde groepsentiteiten. X is op basis van de omvangscriteria onderworpen aan de Wmb 2024.
X heeft schepen in eigendom die kwalificeren voor toepassing van het tonnageregime op grond van artikel 3.22 vierde lid, sub a, onder 1° en 2°, van de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) en schepen die kwalificeren op grond van artikel 3.22 vierde lid, sub a, onder 4° en 5°, van de Wet IB (tonnageregime voor alleen de vervoersactiviteit). Daarnaast heeft X activiteiten die onderworpen zijn aan het normale vennootschapsbelastingregime. X heeft reeds een beschikking voor de toepassing van het tonnageregime.
Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken.
Rechtskader
Het verzoek van X betreft zekerheid vooraf over (1) de toepassing van de vrijstelling van artikel 6.12 van de Wmb 2024 (uitsluiting van inkomen uit internationale scheepvaart), (2) de toepassing van artikel 8.8 van de Wmb 2024 (tijdelijke veilige haven) en (3) de toepassing van artikel 8.3 van de Wmb 2024 (uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid).
Relevant is het wetskader van artikel 3.22 vierde lid, van de Wet IB (definitie begrip ‘winst uit zeescheepvaart’) en meer specifiek de uitbreiding van de definitie uit 2010 in de onderdelen 3 t/m 5 van het vierde lid, sub a van de Wet IB. Voorts is van belang de in de in artikel 6.12 Wmb 2024 opgenomen scheepvaartuitzondering, waardoor inkomen uit internationale scheepvaart onder voorwaarden wordt uitgezonderd bij het bepalen van het gekwalificeerde inkomen voor doeleinden van de Wmb 2024 en hoe dit zich verhoudt tot hetgeen bepaald is in Richtlijn (EU) 2022/2523, van de Raad van 14 december 2022, tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie (pbEU 2022, L 328/1), alsmede de scheepvaartuitzondering in artikel 3.3 van de OESO GloBE-regels.
Relevant is verder ook het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Voorts is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-
coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. Op basis van de aangeleverde feiten lijkt het verzoek op voorhand aan de voorwaarden voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zoals genoemd in het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter te voldoen. Om die reden is het verzoek in eerste instantie in behandeling genomen.
2. Voor de verdere behandeling van de het verzoek heeft de Belastingdienst nadere vragen gesteld over de activiteiten van X en additionele informatie opgevraagd. X heeft vervolgens besloten om het verzoek in te trekken. Het verzoek is daarom niet verder inhoudelijk beoordeeld.
Conclusie
Het verzoek om zekerheid vooraf is ingetrokken. Derhalve is er geen vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie