rul-20260512-atr-000003

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030.

Feiten

X is een coöperatie, opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [301 – 500] werknemers.

X vervult een houdsterfunctie. Voor doeleinden van het verzoek wordt er vanuit gegaan dat X kwalificeert als een houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid, van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). X zal geen stukken uitgeven die in fiscale zin kwalificeren als schriftelijke aandeelbewijzen of daarmee vergelijkbare stukken. Daarnaast zal een lidmaatschapsrecht in X slechts overdraagbaar zijn na voorafgaande schriftelijke toestemming van alle leden van X. Deze schriftelijke toestemming kan achterwege blijven in het geval van een overgang van lidmaatschapsrechten onder algemene titel of een overgang onder bijzondere titel krachtens erfrecht. X zal de samenstelling van het ledenbestand bijhouden in een ledenregister.

A en B1 houden de lidmaatschapsrechten in X. A is opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de Europese Unie (EU) waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 1). A is de tophoudster van de groep en drijft een materiële onderneming.

B1 is een samenwerkingsverband aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (land 2). Het belang in B1 wordt – via een drietal tussenliggende gestapelde samenwerkingsverbanden (B2, B3 en B4) – uiteindelijk gehouden door C5. C5 is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 2. De aandelen in C5 worden gehouden door A. Ieder tussenliggend samenwerkingsverband is aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 2. In ieder tussenliggend samenwerkingsverband neemt, naast het ‘bovenliggende’ samenwerkingsverband, ook ten minste één vennootschap deel (C1, C2, C3, C4 en C5). Voornoemde vennootschappen zijn opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in land 2.

Van B1 – B4 en C1 – C5 drijft alleen B2 een materiële onderneming. De overige vennootschappen en samenwerkingsverbanden hebben naast het houden van een onderliggend belang geen of beperkte eigen activiteiten.

A, B4 en C1 – C5 hebben een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van A is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de

rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).

De rechtsvorm van B4 is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat B4 naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant is.

De rechtsvorm van C1 – C4 is opgenomen op de rechtsvormenlijst als niet-vergelijkbaar met een Nederlandse rechtsvorm. C1 – C4 zijn in land 2 onderworpen aan een winstbelasting. C1 – C4 zijn niet gevestigd in Nederland en zijn zelfstandig belastingplichtig in land 2. Dit betekent dat C1 – C4 op grond van de symmetrische methode voor Nederlandse fiscale maatstaven hebben te gelden als niet-transparant.

De rechtsvorm van C5 is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).

Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen (A, B4 en C1 – C5) worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.

De rechtsvorm van B1 – B3 komt niet voor op de rechtsvormenlijst. De rechtsvorm is beoordeeld door de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen. In een gepubliceerd standpunt komt de Kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen tot de conclusie dat de rechtsvorm van deze deelneming vergelijkbaar is met een Nederlandse maatschap of vennootschap onder firma. Voor doeleinden van dit verzoek wordt ervan uitgegaan dat B1 – B3 naar Nederlandse fiscale maatstaven transparant zijn.

De groep is voornemens om B1 en C1 op te heffen. Na deze opheffing houden A en B2 de lidmaatschapsrechten in X.

Rechtskader

Het verzoek om zekerheid vooraf betreft de toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid wordt gevraagd voor uitkeringen van X aan A, X aan B1 en X aan B2 (in het geval van eventuele opheffing van B1 en C1).

Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.

2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.

Inhoudingsvrijstelling – uitkeringen van X aan A

3. A is een vennootschap opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER). A, de opbrengstgerechtigde, houdt op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien A in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is derhalve van toepassing.

4. Aangezien de opbrengstgerechtigde (A) in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid, van de Wet DB.

5. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid, van de Wet DB van toepassing zijn. A wordt niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervult ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

6. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

7. Op grond van de objectieve toets is beoordeeld of sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden opgemaakt wanneer er in ieder geval geen sprake is van een kunstmatige constructie. Er is in ieder geval geen sprake van een kunstmatige constructie indien sprake is van een van de volgende situaties: a) de directe aandeelhouder drijft een materiële onderneming (waaronder bijvoorbeeld een tophoudster) en het belang in het Nederlandse lichaam kan functioneel tot zijn ondernemingsvermogen worden gerekend; of b) de directe aandeelhouder heeft geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (artikel 1bis Uitvoeringsbeschikking dividendbelasting 1965 (Uitv.besch. DB)). Ingeval sprake is van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen als bedoeld in artikel 1bis Uitv.besch. DB kan de inspecteur het tegendeel aannemelijk maken dat alsnog sprake is van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB.

8. De lidmaatschapsrechten in X kunnen worden toegerekend aan het ondernemingsvermogen van A. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van kunstmatige constructie. In het gegeven geval is geen sprake van misbruik als bedoeld in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB en is het niet nodig om het tegendeel aannemelijk te maken.

Inhoudingsvrijstelling – uitkeringen van X aan B1

9. Vanwege de fiscale transparantie van B1 – B4 dienen C1 – C5 als opbrengstgerechtigden te worden aangemerkt.

10. C1 – C5 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. C1 – C5, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in X waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien C1 – C5 in Nederland waren gevestigd. Artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is derhalve van toepassing.

11. Aangezien de opbrengstgerechtigden (C1 – C5) in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van hybride vennootschappen en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid, van de Wet DB.

12. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid, van de Wet DB van toepassing zijn. C1 – C5 worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.

13. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).

14. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of C1 – C5 het belang in X houden met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. C1 – C5 worden (in)direct gehouden door A, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. De tussenliggende vennootschappen worden als gevolg van de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – weggedacht omdat zij geen materiële onderneming drijven. Bij uitkeringen van X aan A zou – indien A het belang in X direct had gehouden – op grond van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de

inhoudingsvrijstelling.

15. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.

Inhoudingsvrijstelling – uitkeringen van X aan B2 (na opheffing van B1 en C1)

16. Bij uitkeringen van X aan B2 (na opheffing van B1 en C1) geldt hetzelfde als opgenomen bij overwegingen 9 tot en met 15.

Conclusie

Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan A en B1 (dan wel aan B2, na opheffing van B1 en C1) geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.

Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.

Bron: Rulings Belastingdienst

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: