Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de kwalificatie van een buitenlandse rechtsvorm naar Nederlandse fiscale maatstaven, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting, de vraag of er sprake is van belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2024 tot en met 2028.
Feiten
X1 tot en met X17 zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X18 is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk gevestigd in een lidstaat van de Europese Unie (EU). Op grond van artikel 2, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) wordt X18 geacht in Nederland gevestigd te zijn. X19 is een vennootschap opgericht naar het recht van een staat buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten, maar feitelijk in Nederland gevestigd. X1 tot en met X19 (hierna gezamenlijk: de Nederlandse vennootschappen) behoren tot een internationaal concern, actief in de handelssector.
Het concern oefent in Nederland operationele activiteiten uit en de Nederlandse vennootschappen zijn tevens actief in de aansturing van hun deelnemingen. De activiteiten in Nederland worden uitgeoefend door [151 – 300] werknemers. De Nederlandse vennootschappen houden diverse vennootschappen in verschillende landen. Een deel van deze vennootschappen is opgericht naar het recht van en gevestigd in verschillende lidstaten van de EU en een deel is opgericht naar het recht van en gevestigd in staten buiten de EU (hierna: de deelnemingen). De deelnemingen houden zich bezig met operationele activiteiten die in lijn liggen met de activiteiten van het concern.
Groepsstructuur
Z is de tophoudster van het concern en is gevestigd in een staat buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). Op het niveau van Z bevindt zich het hoofdkantoor van dit internationaal opererend concern. Z drijft een materiële onderneming.
De Nederlandse vennootschappen worden direct gehouden door verschillende vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen en buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (hierna: de aandeelhouders). Deze landen zijn geen jurisdicties die genoemd zijn in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden laagbelastende jurisdicties (een laagbelastende jurisdictie). De aandeelhouders hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn in de respectievelijke verdragslanden onderworpen aan een winstbelasting. Ook zijn geen van
de indirecte aandeelhouders van de Nederlandse vennootschappen gevestigd in een laagbelastende jurisdictie of hebben daar een vaste inrichting.
Een van de aandeelhouders is Y. Y is een entiteit opgericht naar het recht van en gevestigd in een lidstaat van de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland B). Y wordt in verdragsland B als niet-transparant aangemerkt en is onderworpen aan een winstbelasting in verdragsland B. Uit de civielrechtelijke wet- en regelgeving van verdragsland B en de statuten van Y blijkt dat Y het juridisch eigendom kan hebben van vermogensbestanddelen, dat Y een in aandelen verdeeld kapitaal heeft en dat geen unanieme toestemming nodig is bij overdracht van de aandelen in Y. De participanten in Y zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden en verplichtingen van Y.
Z, de aandeelhouders, de deelnemingen en de indirecte deelnemingen hebben – op een van de deelnemingen (hierna: A) en Y na – allemaal een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. Deze rechtsvormen zijn allen opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
De rechtsvorm van A is beoordeeld door de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen. In een gepubliceerd standpunt komt de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen tot de conclusie dat de rechtsvorm van deze deelneming vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid).
Y is een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. De rechtsvorm van Y is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm niet-vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtsvorm. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake.
Rechtskader
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet op de kwalificatie van Y naar Nederlandse fiscale maatstaven. Op grond van het besluit van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M (Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden) kunnen buitenlandse rechtsvormen tot 2025 worden gekwalificeerd voor Nederlandse fiscale doeleinden aan de hand van een toetsingskader. Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Het hiervoor aangehaalde besluit geeft uitvoering aan de (onder andere) in artikel 1a van de Wet Vpb, artikel 1 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) en artikel 1.2 van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB) opgenomen rechtsvormvergelijkingsmethode.
Het concern verzoekt tevens zekerheid vooraf over toepassing van de inhoudingsvrijstelling als bedoeld in artikel 4, tweede lid en verder van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB). Deze zekerheid vraagt men voor uitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders.
Verder verzoekt het concern om zekerheid vooraf over de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB), zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden. Deze zekerheid
wordt gevraagd voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van het belang van de aandeelhouders in de Nederlandse vennootschappen.
Het verzoek om zekerheid vooraf dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is ziet op artikel 13 van de Wet Vpb. Er dient voldaan te zijn aan de eisen van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb en er mag geen sprake zijn van als belegging gehouden deelnemingen als bedoeld in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming als bedoeld in artikel 13, elfde lid van de Wet Vpb. De deelnemingsvrijstelling moet op het niveau van de directe deelneming worden getoetst.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent in Nederland relevante economische activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van de Nederlandse vennootschappen uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies de Nederlandse vennootschappen binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
Kwalificatie Y
3. Voor de kwalificatie van Y tot 2025 is het Besluit kwalificatie buitenlandse samenwerkingsverbanden van belang. Aan de hand van de feiten en omstandigheden en van de vier vragen (het toetsingskader) is beoordeeld of Y overeenkomt met een kapitaalvennootschap of met een personenvennootschap.
Toetsingskader (A) Kan het samenwerkingsverband de juridische eigendom hebben van de vermogensbestanddelen waarmee het de activiteiten uitoefent? (B) Zijn alle participanten beperkt aansprakelijk voor de schulden en de andere verplichtingen van het samenwerkingsverband? (C) Heeft het samenwerkingsverband een in aandelen verdeeld kapitaal in civielrechtelijke zin, dan wel kan het kapitaal in maatschappelijke zin gelijkgesteld worden met een in aandelen verdeeld kapitaal? (D) Kan er, buiten het geval van vererving of legaat, toetreding of vervanging van participanten plaatsvinden zonder dat toestemming nodig is van alle participanten?
4. In het gegeven geval worden de vragen (A), (C) en (D) met “ja” beantwoord terwijl vraag (B) met “nee” wordt beantwoord. Aan de hand van de antwoorden op bovenstaande vragen, kwalificeert Y dus als kapitaalvennootschap naar Nederlandse fiscale maatstaven
5. Het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen en de daarbij als bijlage opgenomen rechtsvormenlijst is in het kader van de kwalificatie van Y vanaf 2025 relevant. De rechtsvorm van Y is opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm niet-vergelijkbaar is met een
Nederlandse rechtsvorm. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. In de feiten is opgemerkt dat van een wezenlijke wetswijziging geen sprake is.
6. Aangezien het een niet-vergelijkbaar buitenlands lichaam betreft dat niet in Nederland is gevestigd, wordt het buitenlandse lichaam voor Nederlandse fiscale doeleinden als niet- transparant aangemerkt indien dat buitenlandse lichaam volgens de fiscale regelgeving van een staat die dat lichaam als inwoner behandelt, in dit geval verdragsland A, zelfstandig belastingplichtig is (symmetrische methode). In het geval van Y is hier sprake van. Dit betekent dat Y naar Nederlandse fiscale maatstaven als niet-transparant heeft te gelden. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. In de feiten is opgemerkt dat van een wezenlijke wetswijziging geen sprake is. Dit betekent dat Y ook vanaf 2025 en verder niet-transparant is naar Nederlandse fiscale maatstaven.
Toepassing inhoudingsvrijstelling
7. De Nederlandse vennootschappen worden gehouden door de aandeelhouders, vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen en buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden. De aandeelhouders, de opbrengstgerechtigden, houden op het moment van uitkeren een belang in de respectievelijke Nederlandse vennootschappen waarop de deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening van toepassing zou zijn indien de betreffende opbrengstgerechtigde in Nederland was gevestigd. Artikel 4, tweede lid van de Wet DB is derhalve van toepassing.
8. Aangezien de betreffende opbrengstgerechtigden in geen van de betrokken landen als transparante vennootschappen worden gezien, is geen sprake van (een) hybride vennootschap(pen) en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 4, negende en tiende lid van de Wet DB.
9. Vervolgens is beoordeeld of de uitzonderingen van artikel 4, derde lid van de Wet DB van toepassing zijn. De aandeelhouders worden niet geacht te zijn gevestigd in een derde staat en vervullen ook geen vergelijkbare functie als een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 6a of artikel 28 van de Wet Vpb. De onderdelen a en b van voornoemd artikellid zijn derhalve niet van toepassing.
10. Ten slotte is beoordeeld of de antimisbruikbepaling welke is opgenomen in artikel 4, derde lid, onderdeel c van de Wet DB van toepassing is. Deze antimisbruikregeling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikregeling wordt bekeken of de belastingplichtige het belang in de in Nederland gevestigde vennootschap houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
11. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of de aandeelhouders de belangen met als hoofddoel om Nederlandse dividendbelasting te ontgaan. De aandeelhouders worden indirect gehouden door Z, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Bij uitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan Z zou – indien Z de belangen in de Nederlandse vennootschappen direct had gehouden – op grond
van de Wet DB ook inhouding van dividendbelasting achterwege kunnen blijven. Dit betekent dat er op grond van uitlatingen in de parlementaire geschiedenis geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting en er derhalve recht bestaat op de inhoudingsvrijstelling.
12. Toepassing van de objectieve toets komt niet meer aan de orde, nu er geen sprake is van het ontgaan van dividendbelasting.
Belastingplicht conditionele bronbelasting
13. Ten aanzien van de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden is eerst gekeken naar het begrippenkader van artikel 1.2 van de Wet BB. De aandeelhouders, vennootschappen opgericht naar het recht van en gevestigd in landen binnen en buiten de EU waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, houden een kwalificerend belang in de respectievelijke Nederlandse vennootschappen. De aandeelhouders genieten voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van hun belang in de respectievelijke Nederlandse vennootschappen. De Nederlandse vennootschappen kwalificeren als een aan de respectievelijke aandeelhouder, de voordeelgerechtigde, gelieerde inhoudingsplichtige.
14. Vervolgens is beoordeeld of er sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
15. Omdat de aandeelhouders niet zijn gevestigd in een laagbelastende jurisdictie, zijn de aandeelhouders niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
16. De aandeelhouders hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en zijn derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
17. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is. Er is sprake van misbruik indien – kort gezegd – een aandeelhouder is gevestigd in een staat, niet zijnde Nederland of een laagbelastende jurisdictie, en gerechtigd is tot de voordelen in de vorm van dividenden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en er sprake is van een kunstmatige constructie of transactie, of reeks van constructies of samenstel van transacties (“objectieve toets”).
18. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of de aandeelhouders het belang houden met als hoofddoel om Nederlandse belasting te ontgaan. Hiervoor wordt de “wegdenkgedachte” – zoals verwoord in de parlementaire geschiedenis – toegepast. In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat indien de situatie zonder tussenkomst van de tussenschakel zou leiden tot een hogere Nederlandse bronbelastingclaim, dit een aanwijzing is dat er sprake is van een constructie die ertoe strekt om de heffing van bronbelasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets). De Nederlandse vennootschappen worden indirect gehouden door Z, een vennootschap die een materiële onderneming drijft en gevestigd is in een staat waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden, niet zijnde een lidstaat van de EU of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. Bij uitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan Z zou – indien Z de belangen in de Nederlandse vennootschappen direct had gehouden – op grond van de Wet BB ook geen bronbelasting zijn verschuldigd.
19. Dit betekent dat er op grond van de uitlatingen in de parlementaire geschiedenis er geen sprake is van het ontgaan van belasting en er derhalve geen sprake is van belastingplicht op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB. Toepassing van de objectieve toets is derhalve niet meer aan de orde.
20. Aangezien de voordeelgerechtigde in geen van de betrokken landen als een transparante vennootschap wordt gezien, is geen sprake van een hybride vennootschap en wordt niet toegekomen aan de uitzonderingen van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet BB.
Toepassing deelnemingsvrijstelling
21. Eveneens is beoordeeld of de deelnemingsvrijstelling van artikel 13 van de Wet Vpb van toepassing is op de belangen van de Nederlandse vennootschappen in de deelnemingen. De Nederlandse vennootschappen houden meer dan 5% van de aandelen in de deelnemingen of waar het belang kleiner dan 5% is, wordt het belang op grond van artikel 13, vijfde lid van de Wet Vpb aangemerkt als een deelneming (meetrekregeling). Vanaf 2025 worden buitenlandse rechtsvormen gekwalificeerd aan de hand van het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen. Zoals in de feiten vermeldt, zijn alle rechtsvormen van de deelnemingen ofwel opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvorm waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) ofwel als zodanig beoordeeld door de kennisgroep belastingplicht en kwalificatie rechtsvormen. Dat betekent dat wordt voldaan aan de eisen voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op grond van artikel 13, tweede lid van de Wet Vpb.
22. Vervolgens is beoordeeld of ten aanzien van de deelnemingen wordt voldaan aan de oogmerktoets, zodat geen sprake is van een beleggingsdeelneming in de zin van artikel 13, negende lid, van de Wet Vpb.
23. De deelnemingen verrichten activiteiten die in het verlengde liggen van de activiteiten van het concern in haar geheel. De Nederlandse vennootschappen leggen een relatie tussen de bedrijfsmatige activiteiten van de uiteindelijke moedermaatschappij en de activiteiten van de deelnemingen. De deelnemingen worden aldus bij de Nederlandse vennootschappen niet als belegging gehouden. Om deze reden is voor de deelnemingen aan de oogmerktoets, zoals opgenomen in artikel 13, negende lid van de Wet Vpb voldaan.
24. De uitzonderingen van artikel 13, tiende lid, van de Wet Vpb zijn niet van toepassing, zodat de deelnemingsvrijstelling geldt ten aanzien van de belangen van de Nederlandse vennootschappen in de deelnemingen.
Conclusie
1. Y is voor Nederlandse fiscale maatstaven niet-transparant.
2. Gelet op artikel 4, tweede lid van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door de betreffende Nederlandse vennootschap dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.
3. De aandeelhouders zijn niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door de Nederlandse vennootschappen aan de aandeelhouders op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
4. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de belangen van de Nederlandse vennootschappen in de deelnemingen.
Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie