Aanleiding
X heeft verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of resultaten uit investeringen in bepaalde geldmarktfondsen voor de toepassing van artikel 15b, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) aangemerkt kunnen worden als renten ter zake van een geldlening.
Men wenst zekerheid voor de jaren 2021 tot en met 2028. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met 2023.
Feiten
X is een vennootschap en is feitelijk gevestigd in Nederland. X behoort tot een concern dat wereldwijd actief is in de industriële sector met een hoofdkantoor in Nederland. In Nederland worden door de tot het concern behorende vennootschappen activiteiten uitgeoefend door [151 – 300] werknemers.
X is de cashpool coördinator (cashpool leader) van de groep en beheert de financieringsactiviteiten. Onderdeel van de werkzaamheden is het afdekken van interest- en valutarisico’s. Interne valutarisico’s worden onder andere afgedekt door overtollige middelen van groepsmaatschappijen bij banken te stallen of te investeren in geldmarktfondsen.
De investeringen in geldmarktfondsen betreffen participaties in Money Market Funds (hierna: MMF’s). Deze voldoen aan EU-verordening 2017/1131 inzake geldmarktfondsen.
MMF’s zijn beleggingsinstellingen die beleggen in kortlopende, liquide en relatief veilige financiële instrumenten. De opbrengsten weerspiegelen over het algemeen de korte termijnrente. X gebruikt de MMF’s als alternatief voor bankdeposito’s om gedurende korte tijd overtollige liquide middelen te beleggen. Hiermee kan X haar financiële middelen diversifiëren, een beperkt rendement behalen en deze middelen toch op korte termijn terughalen (liquide houden).
De resultaten op de MMF’s zitten in de belastbare winst van X. Voor financiële verslaggevingsdoeleinden kwalificeren de door X ingelegde gelden als vreemd vermogen bij de MMF’s en als ‘cash/cash equivalents’ bij X.
Rechtskader
Het verzoek van X ziet op het verkrijgen van zekerheid vooraf dat een resultaat behaald met een investering in een MMF kwalificeert als rente ter zake van een geldlening zoals bedoeld in artikel 15b, tweede lid, van de Wet Vpb.
Relevant is het Besluit Earningstrippingmaatregel van 24 november 2023, nr. 2023-22492 (Stcrt. 2023, 31452) en het Besluit Earningstrippingmaatregel 2025 van 16 juli 2025, nr. 2025-17107 (Stcrt. 2025, 25392).
Relevant is ook het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties en heeft de gevraagde zekerheid vooraf geen betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Voor het bepalen van het saldo aan rente (artikel 15b, tweede lid, van de Wet Vpb) is de rente ter zake van geldleningen relevant. Op grond van artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb is sprake van een geldlening indien een vordering of schuld voortvloeit uit een overeenkomst van geldlening of een met een geldlening vergelijkbare overeenkomst (MEGVO).
4. Omdat het begrip geldlening voor de toepassing van artikel 15b van de Wet Vpb in beginsel gelijk is aan het begrip geldlening voor de toepassing van artikel 13l en artikel 15ad (oud) van de Wet Vpb is in de parlementaire behandeling van het begrip geldlening in artikel 15b van de Wet Vpb onder andere verwezen naar de parlementaire geschiedenis van artikel 13l van de Wet Vpb (oud). Daarin is opgemerkt dat artikel 13l van de Wet Vpb van toepassing is op geldleningen in civielrechtelijke zin en wat daarmee in economische zin op één lijn gesteld kan worden. Ook ATAD 1 kent een economische benadering van rente.
5. Investeringen in MMF’s die voldoen aan EU-verordening 2017/1131 inzake geldmarktfondsen kwalificeren voor de toepassing van artikel 15b van de Wet Vpb naar doel en strekking als met een geldlening vergelijkbare overeenkomst. De belangrijkste aanknopingspunten daarbij zijn dat investeringen in dit soort MMF’s op basis van de van toepassing zijnde verslaggevingsregels gekwalificeerd worden als vreemd vermogen en bij de investeerder als ‘cash and cash-equivalents’ en die alles overziende in economische zin een sterke gelijkenis vertoont met een geldverstrekking die kwalificeert als MEGVO.
6. De resultaten behaald met de investeringen in MMF’s behoren daarmee tot het saldo aan renten zoals bedoeld in artikel 15b, tweede lid, van de Wet Vpb.
Conclusie
De investeringen in MMF’s die voldoen aan EU-verordening 2017/1131 kwalificeren als een met een overeenkomst van geldlening vergelijkbare overeenkomst. In het kader van artikel 15b, tweede lid jo artikel 15b, zesde lid, onderdeel a, van de Wet Vpb worden de resultaten behaald met deze MMF’s voor de toepassing van artikel 15b van de Wet Vpb aangemerkt als renten ter zake van een geldlening.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028 en is van overeenkomstige toepassing in de jaren 2021 tot en met 2023, waarvoor de aangiften vennootschapsbelasting al zijn ingediend.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie