Aanleiding
Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting en de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X is een coöperatie opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X behoort tot een internationaal opererend concern in de dienstverlenende sector. X fungeert als tophoudster voor een deel van het concern en is actief betrokken bij de ondernemingsactiviteiten van het concern. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X en de in Nederland tot het concern behorende vennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [26 – 75] werknemers in Nederland.
De lidmaatschapsrechten in X worden gehouden door Y en Z. Z is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land buiten de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten. Z houdt een minderheidsbelang in X. Y is een samenwerkingsverband, aangegaan naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie waarmee Nederland een verdrag heeft gesloten (verdragsland A). Y houdt alle aandelen in Z en een meerderheidsbelang in X.
Y wordt op haar beurt hoofdzakelijk gehouden door verschillende vennootschappen en entiteiten vergelijkbaar met een commanditaire vennootschap, allen opgericht of aangegaan naar het recht van en feitelijk gevestigd in verdragsland A. Deze entiteiten zijn onderdeel van een investeringsplatform met het doel om te investeren in verschillende portfoliovennootschappen met kapitaal ingelegd door de achterliggende participanten. Daarnaast participeren ook enkele investeerders rechtstreeks in Y. Een van de participanten in Y is W. W heeft een dusdanig belang in Y, dat W een kwalificerend belang in X heeft als zij het rechtstreeks zou houden. De overige investeerders hebben een relatief klein belang.
W wordt op haar beurt door verscheidene investeerders gehouden. Eén van deze investeerders houdt meer dan de helft van de aandelen in W. Deze investeerder zou bij een direct belang geen bronbelasting verschuldigd zijn als zij haar belang in Y rechtstreeks zou houden.
Verdragsland A is geen laagbelastende jurisdictie. Y en W hebben geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Y wordt voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteit en voor Nederlandse fiscale doeleinden aangemerkt als niet-transparant. Y is dus een hybride entiteit.
Er zijn geen in het buitenland wonende natuurlijke personen met een direct of indirect belang van 5% of meer in X.
Y heeft een rechtsvorm die voorkomt op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvorm vergelijkbaar is met een Nederlandse commanditaire vennootschap. Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvorm wordt beheerst ten opzichte van het moment
van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. Voor doeleinden van dit verzoek wordt er vanuit gegaan dat Y naar Nederlandse fiscale maatstaven niet transparant is.
Rechtskader
Men verzoekt om te bevestigen dat Y niet buitenlands belastingplichtig is als bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Het verzoek om zekerheid vooraf ziet ook op de belastingplicht voor de conditionele bronbelasting op dividenden als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet bronbelasting 2021, zoals gewijzigd bij de Wet invoering conditionele bronbelasting op dividenden (Wet BB). Deze zekerheid wordt gevraagd door Y voor de voordelen in de vorm van dividenden uit hoofde van haar lidmaatschapsrecht in X.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Er is beoordeeld of Y buitenlands belastingplichtig is naar aanleiding van haar lidmaatschapsrecht in X op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Deze antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Op grond van de antimisbruikbepaling wordt bekeken of de belastingplichtige, in dit geval Y, het aanmerkelijk belang houden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (“subjectieve toets”) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (“objectieve toets”). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de aanwezigheid van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
4. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse inkomstenbelasting te ontgaan. In het gegeven geval houdt uiteindelijk geen in het buitenland wonend natuurlijk persoon een direct of indirect belang van meer dan 5% in X. Dit betekent dat er in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting.
5. Nu is vastgesteld dat op het niveau van Y geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting hoeft niet meer stil gestaan te worden bij de objectieve toets van de antimisbruikbepaling.
6. Vervolgens is er beoordeeld of er sprake is van belastingplicht voor Y op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
7. Omdat Y gevestigd is in verdragsland A, is Y niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a van de Wet BB.
8. Y heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie en is derhalve niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel b van de Wet BB.
9. Vervolgens is beoordeeld of de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB van toepassing is ten aanzien van Y. Zoals in de feiten is opgemerkt wordt Y voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteit. Dat betekent dat Y niet volgens de fiscale regelgeving van een staat in die staat is gevestigd. Om deze reden blijft toepassing van de antimisbruikbepaling van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c van de Wet BB achterwege.
10. Y wordt voor fiscale doeleinden van verdragsland A aangemerkt als transparante entiteit en wordt aldaar niet behandeld als de gerechtigde tot de voordelen in de vorm van dividend uit hoofde van haar lidmaatschapsrechten in X. Y zou derhalve belastingplichtig kunnen zijn op basis van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB, tenzij de uitzondering van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB van toepassing is.
11. Op grond van artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB dient vastgesteld te worden of er een achterliggende gerechtigde is die samen met een of meer andere lichamen een kwalificerende eenheid vormt. Vervolgens dient getoetst te worden, indien sprake is van een achterliggende gerechtigde met een kwalificerend belang, of de achterliggende gerechtigde die wordt behandeld als de gerechtigde tot de voordelen bronbelasting zou zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d zonder tussenkomst van in dit geval Y. Daarnaast kan de bronbelasting ook achterwege blijven als er geen achterliggende gerechtigde is die een kwalificerend belang heeft in Y.
12. Het belang in Y wordt gehouden door verscheidene investeerders waarvan enkel W een (indirect) kwalificerend belang heeft in Y. W is eveneens gevestigd in verdragsland A. W wordt (indirect) gehouden door verschillende investeerders. W heeft geen vaste inrichting in een laagbelastende jurisdictie. Slechts een van deze investeerders houdt een kwalificerend belang in W. Deze investeerder zou geen bronbelasting verschuldigd zijn als zij haar belang in Y direct zou houden. De andere investeerders in W vormen geen kwalificerende eenheid. Het gezamenlijk handelen van de participanten in W heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van de leden of achterliggende participanten te ontgaan. Hierbij zijn alle omstandigheden van het voorliggende geval meegewogen. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het geval van W geen sprake is van een misbruiksituatie.
13. Op basis van het voorgaande is vastgesteld dat W – indien zij het belang in X rechtstreeks had gehouden – ook geen bronbelasting was verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d van de Wet BB.
14. Ook ten aanzien van de overige participanten van Y is geen sprake van een kwalificerende eenheid. Op basis van alle relevante feiten en omstandigheden is aannemelijk gemaakt dat er in het geval van Y geen sprake is van een misbruiksituatie. Het gezamenlijk handelen van de participanten in Y heeft niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van bronbelasting bij een van de leden of achterliggende participanten te ontgaan. Hierbij zijn alle omstandigheden van het voorliggende geval meegewogen. Er is daarom geen sprake van een kwalificerende eenheid als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel g van de Wet BB.
15. Er zou zonder tussenkomst van Y geen bronbelasting zijn verschuldigd op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a, b, c of d van de Wet BB ten aanzien van de achterliggende gerechtigde(n). Dat betekent dat Y voldoet aan artikel 2.1, vierde lid van de Wet BB. Y is op grond van het voorstaande niet belastingplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet BB.
Conclusie
Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
Y is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X op grond van artikel 2.1 van de Wet BB.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie