Aanleiding
Er is een verzoek tot zekerheid vooraf ingediend ten aanzien van voorgenomen fiscale zetelverplaatsingen uit Nederland door X en Y. Men wenst zekerheid vooraf ten aanzien van de eindafrekeningswinst voor de vennootschapsbelasting. Ook wenst men zekerheid vooraf ten aanzien van het terugtreden van Nederland inzake haar heffingsrecht op uit te keren dividenden – op basis van het relevante belastingverdrag – voor de periode na de fiscale zetelverplaatsingen. Men wenst zekerheid voor de jaren 2025 tot en met 2029.
Feiten
X en Y zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X treedt op als houdstervennootschap en stuurt haar deelneming Y aan. Bij X wordt ook de administratie gevoerd ten aanzien van beide vennootschappen. Y is eigenaar van Nederlands vastgoed, dat zij ontwikkelt en verhuurt. Ook is in Nederland kantoorruimte in gebruik voor de werkzaamheden. Er zijn [1 – 10] personeelsleden werkzaam in Nederland.
Het voornemen bestaat om de feitelijke leiding van zowel X als Y te verplaatsen naar een lidstaat van de Europese Unie (de EU-lidstaat) waar de (uiteindelijke) aandeelhouder van X en Y ook al lange tijd woonachtig is. Als reden van de fiscale zetelverplaatsingen wordt een toekomstige bedrijfsopvolging gegeven waarbij de beoogde bedrijfsopvolger ook woonachtig is in de EU- lidstaat. Na de zetelverplaatsing zal het bestuur de leidinggevende taken uitoefenen vanuit een kantoor in de EU-lidstaat. De administratie zal dan ook daar gevoerd worden. X en Y zullen direct na migratie onderworpen zijn aan de winstbelasting in deze EU-lidstaat.
Y behoudt het Nederlands vastgoed na de fiscale zetelverplaatsing. Na de zetelverplaatsingen zal er geen personeel in Nederland meer werkzaam zijn voor beide vennootschappen in Nederland en wordt er ook geen kantoor meer gehouden in Nederland.
Rechtskader
Het verzoek richt zich op de bepaling van de eindafrekeningswinst zoals bedoeld in artikel 15c van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
Ook richt het verzoek zich, op grond van een bepaling in het belastingverdrag conform artikel 10, vijfde lid OESO-Modelverdrag, op de vaststelling van de inhoudingsplicht voor de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) ten aanzien van dividenden na fiscale zetelverplaatsingen.
Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Voorts is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen).
Overwegingen
1. Het concern oefent, middels haar Nederlandse vennootschappen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X en Y uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X en Y binnen het concern. Deze economische nexus is aanwezig tot het moment van het verplaatsen van de fiscale zetel naar het buitenland.
2. Er wordt eveneens zekerheid gevraagd voor de periode na zetelverplaatsing van X en Y. Dit betreft het verbod op extraterritoriale heffing – zoals volgt uit het relevante belastingverdrag – ten aanzien van (toekomstige) dividenden. Y heeft vanwege (de exploitatie van) het vastgoed ‘naar haar aard’ voldoende economische nexus. X beschikt echter niet langer over economische nexus in Nederland. Zij beschikt dan bijvoorbeeld niet over relevant personeel dat kan beslissen over een door de algemene vergadering van aandeelhouders voorgestelde dividenduitkering. Ook is anderszins niet gebleken dat zij voldoende economische nexus heeft.
3. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
4. Gesteld is dat de feitelijke leiding van X en Y wordt verplaatst naar de EU-lidstaat en zij aldaar als inwoner worden aangemerkt door de EU-lidstaat. Op basis van het relevante belastingverdrag houden X en Y op inwoner van Nederland te zijn. Hierdoor dient er op grond van artikel 15c Wet Vpb afgerekend te worden over stille reserves in de bestanddelen van het vermogen. X heeft aannemelijk gemaakt, gezien ook de aard van de vermogensbestanddelen, dat er in de aanwezige vermogensbestanddelen geen stille reserves zijn die tot een (eind-)afrekening leiden. Ook bij Y leidt de verplaatsing van de fiscale zetel niet tot een fiscale winst. Er is bij Y wel een stille reserve onderkend maar zij houdt niet op belastbaar inkomen uit Nederland te genieten ten aanzien van het vermogensbestanddeel waar deze stille reserve op ziet, namelijk het Nederlands vastgoed. Op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 2, vijfde lid Wet Vpb in combinatie met het van toepassing zijnde belastingverdrag blijft Y (beperkt) binnenlands belastingplichtig en behoort het in Nederland gelegen vastgoed tot de belastbare grondslag waarover het heffingsrecht behouden blijft.
5. Op grond van de vestigingsplaatsfictie van artikel 1, derde lid, van de Wet DB blijft Y na verplaatsing in beginsel inhoudingsplichtig voor de Wet DB. Echter, op grond van jurisprudentie in combinatie met de bepalingen in het relevante belastingverdrag (onder andere ‘het verbod op extraterritoriale heffing’) wordt Nederland beperkt in dit heffingsrecht tenzij Y uitkeert aan een inwoner van Nederland of indien de aandelen in Y toerekenbaar zijn aan een vaste inrichting in Nederland van de aandeelhouder. Aangezien de aandeelhouder van Y na de fiscale zetelverplaatsing verdragsinwoner is van de andere EU-lidstaat en niet beschikt over een vaste inrichting in Nederland waaraan de aandelen in Y toegerekend kunnen worden, wordt Nederland volledig beperkt in haar heffingsrecht ten aanzien van de dividenden van Y. Y is niet gehouden dividendbelasting in te houden.
Conclusie
Er is zekerheid gegeven inzake de omvang van de (eindafrekenings-)winst bij verplaatsing van de fiscale zetels van X en Y.
Na verplaatsing van de zetel van Y kan zij zonder heffing van Nederlandse dividendbelasting dividenden uitkeren aan haar aandeelhouder.
Omdat na het verplaatsen van de fiscale zetel X onvoldoende economische nexus heeft in Nederland kan zij geen zekerheid vooraf krijgen ten aanzien van de dividendbelasting.
Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Bron: Rulings Belastingdienst
Geef een reactie