20251111 ATR 000001
Samenvatting
Aanleiding
Er is een bilateraal verzoek ingediend om zekerheid vooraf te verkrijgen over de afwezigheid van een vaste inrichting in respectievelijk Nederland en een lidstaat van de Europese Unie (EU). Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 en verder.
Feiten
X en Y zijn vennootschappen opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. X is een zustervennootschap van Y. X en Y behoren tot een internationaal concern dat actief is in de industriële sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door [> 1.000] werknemers V en W zijn vennootschappen opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een EU-lidstaat waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten (verdragsland A). W is een dochtervennootschap van V. V en W behoren eveneens tot een internationaal concern, dat actief is in de industriële sector. V en W zijn onderworpen aan een winstbelasting in verdragsland A. X en Y zijn niet gelieerd aan V en W. X en V hebben een samenwerkingsovereenkomst gesloten ten aanzien van de exploitatie van een bedrijfsmiddel (inclusief een ondersteunend apparaat) dat zich in Nederland en verdragsland A bevindt. X en V hebben ieder 50% van het juridisch eigendom van het bedrijfsmiddel (en het ondersteunende apparaat) dat (gedeeltelijk) onder respectievelijk de jurisdictie van Nederland en verdragsland A valt. X en V zijn voor een gelijk deel gerechtigd tot de winst en de kosten binnen deze samenwerking, en verrichten de relevante activiteiten – voor eigen rekening en risico – in respectievelijk Nederland en verdragsland A. X en V hebben met respectievelijk Y en W een gebruikersovereenkomst gesloten ten aanzien van de capaciteit van het voornoemde ondersteunende apparaat. Y en W hebben op hun beurt een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan zij voor een gelijk deel gerechtigd zijn tot de winst en de relevante kosten binnen deze samenwerking. V en W zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024. De rechtsvormen van V en W zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. 20251111 ATR 000001
Rechtskader
Het verzoek van V en W om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland A te worden bepaald of Nederland wel kan heffen. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.
Overwegingen
1. In paragraaf 3 van het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter is onder a. aangegeven dat toegang tot het vooroverleg ter verkrijging van zekerheid vooraf in de vorm van een ruling met een internationaal karakter slechts wordt aangegaan als sprake is van voldoende economische nexus in Nederland. In dezelfde paragraaf 3 onder a, laatste zin wordt hierop een uitzondering gemaakt, welke inhoudt dat de bepaling inzake de economische nexus naar zijn aard niet van toepassing is indien zekerheid wordt gevraagd over de aan- of afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland.
2. Het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting is niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Zoals beschreven in de feiten zijn V en W gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft afgesloten (dat voorziet in een regeling voor de heffing over bestanddelen van de winst). Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.
4. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting in Nederland als V of W een vaste bedrijfsinrichting heeft in Nederland waarin de activiteiten van de desbetreffende onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze activiteiten echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting. Voorts kan op grond van het toepasselijke belastingverdrag sprake zijn van een vaste inrichting indien een persoon in Nederland gemachtigd is te handelen voor rekening en risico van V of W en van die machtiging gewoonlijk gebruik wordt gemaakt (vaste vertegenwoordiger).
5. X en V hebben ieder 50% van het juridisch eigendom van het bedrijfsmiddel (en het ondersteunende apparaat) dat onder respectievelijk de jurisdictie van Nederland en verdragsland A valt. X en V zijn voor een gelijk deel gerechtigd tot de winst en de kosten binnen deze samenwerking, en verrichten de relevante activiteiten – voor eigen rekening en risico – in respectievelijk Nederland en verdragsland A. X en V hebben met respectievelijk Y en W een gebruikersovereenkomst gesloten ten aanzien van de capaciteit van het voornoemde 20251111 ATR 000001ondersteunende apparaat. Y en W hebben op hun beurt een samenwerkingsovereenkomst gesloten op grond waarvan zij voor een gelijk deel gerechtigd zijn tot de winst en de relevante kosten binnen deze samenwerking. Alle relevante activiteiten worden derhalve door de partijen in hun staat van vestiging verricht, voor eigen rekening en risico. Hierdoor leiden de activiteiten van V en W niet tot een vaste inrichting in Nederland zoals bedoeld in het toepasselijke belastingverdrag. Er is tevens geen sprake van een persoon in Nederland welke namens V of W bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Hierdoor is ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van V of W in Nederland.
6. Ten aanzien van dit bilaterale verzoek om zekerheid vooraf zijn de relevante partijen en de bevoegde autoriteiten van beide landen overeengekomen dat partijen geen vaste inrichting hebben in de respectievelijke landen.
Conclusie
De bevoegde autoriteiten en de relevante partijen hebben overeenstemming bereikt over de afwezigheid van een vaste inrichting van V samen met haar dochtervennootschap W, en X samen met haar zustervennootschap Y, in respectievelijk Nederland en verdragsland A. De bevoegde autoriteiten zijn geen specifieke looptijd overeengekomen. De overeenstemming blijft haar geldigheid behouden zolang de relevante feiten en omstandigheden niet materieel wijzigen.