rul-20251104-atr-000004

20251104 ATR 000004

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting in het buitenland en het achterwege laten van toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de periode 25 september 2023 tot en met 31 december 2027, aansluitend op een eerdere vaststellingsovereenkomst tot en met 24 september 2023.

Feiten

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting in het buitenland en het achterwege laten van toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de periode 25 september 2023 tot en met 31 december 2027, aansluitend op een eerdere vaststellingsovereenkomst tot en met 24 september 2023. X is een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in Nederland. X maakt onderdeel uit van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. X behoort tot een internationaal opererend concern in de industriële sector. In Nederland worden bedrijfseconomische operationele activiteiten uitgeoefend door X en andere Nederlandse groepsvennootschappen. De activiteiten worden uitgeoefend door [151 – 300] werknemers in Nederland. X heeft een vestiging in een staat buiten de Europese Unie, waarmee Nederland een belastingverdrag heeft (verdragsland A). De vestiging houdt zich uitsluitend met promotionele activiteiten bezig. Alle overige verkoop- en projectgerelateerde activiteiten worden vanuit Nederland gedaan. Er is ook geen persoon werkzaam voor de vestiging die bevoegd is om namens X overeenkomsten te sluiten. De activiteiten van X in verdragsland A worden in verdragsland A niet aangemerkt als een vaste inrichting.

Rechtskader

Het verzoek van X om zekerheid vooraf ziet op de afwezigheid van een vaste inrichting op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb in combinatie met afwezigheid van toepassing van de objectvrijstelling van artikel 15e van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is van belang de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen). 20251104 ATR 000004

Overwegingen

1. De groep oefent, middels haar Nederlandse dochtermaatschappijen, in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus). Voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip “vaste inrichting” of “vaste vertegenwoordiger” verstaan het begrip “vaste inrichting” zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.
4. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als X een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de werkzaamheden van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. Als deze werkzaamheden echter uitsluitend van ondersteunende aard zijn, zal geen sprake zijn van een vaste inrichting. De werkzaamheden die X verricht in verdragsland A zijn voorbereidend van aard en betreffen ook niet meer dan hulpwerkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid van het op dit punt OESO-conforme belastingverdrag met verdragsland A. Hierdoor leiden de werkzaamheden van X in verdragsland A niet tot een vaste inrichting zoals bedoeld in het toepasselijke belastingverdrag. Dat betekent dat de objectvrijstelling in Nederland niet van toepassing is voor de werkzaamheden van X in verdragsland A.
5. Ten overvloede is nog vastgesteld dat verdragsland A de activiteiten van X aldaar evenmin als een vaste inrichting kwalificeert.

Conclusie

De werkzaamheden van X in verdragsland A kwalificeren niet als een vaste inrichting aldaar. De resultaten van de werkzaamheden van X in verdragsland A zijn niet vrijgesteld op grond van objectvrijstelling. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst voor de periode van 25 september 2023 tot en met 31 december 2027.