rul-20250826-atr-000011

20250826 ATR 000011

Samenvatting

Aanleiding

Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van buitenlandse belastingplicht en de afwezigheid van een vaste inrichting in Nederland. Men wenst zekerheid vooraf voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak.

Feiten

X is een vennootschap opgericht naar het recht van Nederland en feitelijk in Nederland gevestigd. De aandelen in X worden gehouden door Y, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland A). De aandelen in Y worden gehouden door Z, een vennootschap opgericht naar het recht van en feitelijk gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten dat voorziet in een regeling voor dividenden (verdragsland B). X is een verkoopentiteit en exploiteert daarnaast een logistiek centrum ten behoeve van de EMEA- markt van het concern. De activiteiten worden uitgeoefend door [76 – 150] werknemers in Nederland. In dit logistiek centrum worden onder andere producten opgeslagen die eigendom zijn van Z. Het logistiek centrum staat niet ter beschikking aan Z. Z verricht geen andere activiteiten in Nederland en er is ook geen personeel van Z in Nederland aanwezig. Y produceert handelswaar ten behoeve van het concern en drijft daarmee een materiële onderneming. Y en Z zijn rechtsvormen die voorkomen op de rechtsvormenlijst bij het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen van 9 november 2024 (Staatsblad 2024, 339). De rechtsvormen van Y en Z zijn opgenomen op de rechtsvormenlijst als buitenlandse rechtsvormen waarvan het rechtsvermoeden luidt dat de rechtsvormen vergelijkbaar zijn met een Nederlandse kapitaalvennootschap (naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Er geldt een voorbehoud voor een wezenlijke wijziging in het buitenlandse recht van de staat waardoor de rechtsvormen worden beheerst ten opzichte van het moment van kwalificatie. Van een wezenlijke wijziging van het buitenlandse recht is geen sprake. Er is geen natuurlijk persoon die een (indirect) belang heeft van meer dan 5% in X.

Rechtskader

Het verzoek van Z om zekerheid vooraf dat geen sprake is van een vaste inrichting in Nederland ziet op de toepassing van artikel 3, vierde lid, onderdeel a in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel a of 17a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Als sprake is van een vaste inrichting op basis van deze artikelen, dient op basis van de relevante bepalingen van het belastingverdrag tussen Nederland en verdragsland B en The Multilateral Convention to implement Tax Treaty related Measures to prevent Base Erosion and Profit Shifting (MLI) te worden bepaald of Nederland wel kan heffen. 20250826 ATR 000011 Men verzoekt ook om te bevestigen dat Y niet buitenlands belastingplichtig is als bedoeld in artikel 3, eerste lid in combinatie met artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Relevant is het Besluit vooroverleg rulings met een internationaal karakter, waarin de kaders voor het verkrijgen van zekerheid vooraf zijn gegeven met betrekking tot rulings met een internationaal karakter. Tevens is de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (met inachtneming van de jaarlijkse wijzigingen) van belang.

Overwegingen

1. De groep oefent in Nederland bedrijfseconomische operationele activiteiten uit (de zogenoemde economische nexus) en voorts worden de relevante bedrijfseconomische operationele activiteiten voor rekening en risico van X uitgeoefend. Deze activiteiten passen bij de functies van X binnen het concern.
2. Aanvullend is het besparen van Nederlandse of buitenlandse belasting niet de enige dan wel doorslaggevende beweegreden voor het verrichten van de (rechts)handeling(en) of transacties, en evenmin heeft de gevraagde zekerheid vooraf betrekking op de fiscale gevolgen van directe transacties met entiteiten die zijn gevestigd in staten die zijn opgenomen in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden.
3. Op grond van artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Wet Vpb wordt voor de toepassing van de Wet Vpb voor de invulling van het begrip ‘vaste inrichting’ of ‘vaste vertegenwoordiger’ verstaan het begrip ‘vaste inrichting’ zoals dat geldt voor de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag. Daarom wordt direct getoetst of er op basis van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag geheven kan worden.
4. Op grond van de relevante bepalingen van het toepasselijke belastingverdrag is sprake van een vaste inrichting als Z een vaste bedrijfsinrichting heeft waarin de activiteiten van de onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend. X exploiteert een logistiek centrum, waarin onder andere producten worden opgeslagen die eigendom zijn van Z. Dit logistiek centrum staat echter niet ter beschikking aan Z. Aldus is geen sprake van een vaste inrichting van Z in Nederland.
5. Er is tevens geen sprake van een persoon welke namens Z bevoegd is overeenkomsten af te sluiten en dat recht gewoonlijk uitoefent. Hierdoor is ook geen sprake van een vaste vertegenwoordiger van Z in Nederland.
6. Y houdt 100% van de aandelen in X. Hierdoor kan zij mogelijk op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b Wet Vpb belastinglichting zijn in Nederland. De antimisbruikbepaling kent een subjectieve en objectieve toets. Er is sprake van misbruik indien de belastingplichtige, in dit geval Y, het aanmerkelijk belang houdt met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van inkomstenbelasting bij een ander te ontgaan (‘subjectieve toets’) en de constructie of reeks van constructies niet op grond van zakelijke redenen is opgezet (‘objectieve toets’). Van geldige zakelijke redenen is sprake indien deze worden gereflecteerd in de substance van de vennootschap die het aanmerkelijk belang houdt.
7. Op grond van de subjectieve toets is beoordeeld of Y het belang houdt met als hoofddoel om Nederlandse inkomstenbelasting te ontgaan. In het gegeven geval is er uiteindelijk geen natuurlijk persoon die een (indirect) belang heeft van meer dan 5% in X. Er is dus 20250826 ATR 000011geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting in het kader van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb.
8. Nu is vastgesteld dat op het niveau van de aandeelhouder van X geen sprake is van het ontgaan van inkomstenbelasting hoeft niet meer stil gestaan worden bij de objectieve toets van de antimisbruikbepaling.

Conclusie

Z heeft geen vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland voor de toepassing van de Wet Vpb. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. Het voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.