AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag naar het opgeofferde bedrag voor BV2 in het kader van een aandelenfusie. De ruling concludeert dat artikel 13d lid 6 derde volzin niet van toepassing is en dat er akkoord kan worden gegaan met een hoger opgeofferd bedrag.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
Het gaat om een eenvoudige aandelenfusie op IB-niveau (art. 55), dus BV2 geeft nieuwe aandelen uit aan haar bestaande aandeelhouder, een natuurlijk persoon, en verkrijgt alle aandelen in BV1. Vroeger bestreden we dit, maar sinds Leur Bloem is dat wat lastiger. In artikel 55 is het daimbehoud geregeld in de IB; de verkrijgingsprijs van de aandelen in BV1 gaat over op de verkrijgingsprijs van de nieuw uitgegeven aandelen in BV2. De vraag is nu: wat is het opgeofferde bedrag voor BV2 in de aandelen van BV1?
Er is een opmerking gemaakt inzake mogelijke toepassing van art. 13d lid derde volzin, en men komt tot de conclusie dat art. 13d lid derde volzin niet van toepassing is in deze casus. Er is namelijk geen sprake van misbruik, en men kan akkoord gaan met het hogere opgeofferde bedrag. Er wordt nu slechts gevraagd om beschikking over het opgeofferde bedrag; liquidatie is nog niet aan de orde.
Conceptueel blijft het verschil tussen de behandeling van een natuurlijk persoon en een verbonden lichaam vreemd. Er zijn verschillende sferen (IB en Vpb), en men vraagt zich af waarom er een verschil zou moeten worden gemaakt tussen inbreng van een deelneming en inbreng van andere activa. De aanmerkelijk belangclaim blijft behouden; echter, de inbreng van de deelneming biedt theoretisch mogelijkheden tot oppompen van het opgeofferde bedrag, hoewel wellicht niet beoogd is om misbruik te maken. De hogere waarde moet namelijk wel aanwezig zijn.
Geef een reactie