AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of een deelneming kan worden aangemerkt als laag belaste beleggingsdeelneming. De kennisgroep concludeert dat de deelneming voldoet aan de eisen van onderworpenheid aan een reële heffing van winstbelasting.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1950027**
Beste 2e,
Hierbij het antwoord van de kennisgroep deelnemingsvrijstelling op de vraag over uitleg van het begrip naar Nederlandse begrippen reële heffing zoals bedoeld in artikel 13 lid 11 Wet vennootschapsbelasting 1969.
**Feiten**
[GEANONIMISEERD] zijn naar Nederlands recht opgerichte vennootschappen en vennootschapsbelastingplichtig in [GEANONIMISEERD] zonder toepassing van een bijzonder regime. Het vennootschapsbelastingtarief bedroeg 19% gedurende jaren [GEANONIMISEERD]. In [GEANONIMISEERD] heeft [GEANONIMISEERD] vennootschapsbelasting betaald over de verkoopwinst van [GEANONIMISEERD]. In de jaren [GEANONIMISEERD] hebben de inkomsten van [GEANONIMISEERD] voornamelijk bestaan uit rente-inkomsten.
Onder [GEANONIMISEERD] fiscaal recht worden rente-inkomsten en uitgaven op kasbasis meegenomen in het fiscale resultaat. Als gevolg van het feit dat de rente-inkomsten op de vorderingen van [GEANONIMISEERD] zijn bijgeschreven in plaats van betaald, worden deze inkomsten in [GEANONIMISEERD] belast op het moment dat de rente daadwerkelijk wordt betaald. Aangezien in Nederland direct zou zijn geheven over de bijgeschreven rente, is deze volgens de adviseur aan te merken als laag belast.
**Vraag**
Kan de deelneming [GEANONIMISEERD] worden aangemerkt als laag belaste beleggingsdeelneming?
**Beschouwing**
Indien er sprake is van een beleggingsdeelneming, dient de onderworpenheid te worden bezien. Onderworpenheid kan leiden tot een kwalificerende beleggingsdeelneming. Bij de onderworpenheid wordt getoetst of de deelneming effectief is onderworpen aan een heffing van meer dan 10%. Bij de toets zijn het tarief en hetgeen deel uitmaakt van de grondslag de belangrijkste indicatoren. Daarnaast spelen uitvoeringsaspecten.
In casu is het tarief 19%. De rente maakt ook deel uit van de grondslag. De heffing over de rente vindt slechts op een later moment plaats, kasbasis in plaats van vorderingenbasis. Zolang dat niet leidt tot fors uitstel, is er voldoende onderworpenheid. Het is aan de vragensteller om deze toets uit te voeren. De enkele opmerking in de wetsgeschiedenis dat voor de grondslagvergelijking het uitgangspunt de jaarwinst is, doet daaraan niet af. Niet alleen omdat er ook andere uitlatingen zijn in de wettekst die dat uitgangspunt nuanceren, maar ook omdat de belasting nu eenmaal domweg per tijdvak van een jaar wordt geheven en de uitlating mogelijkerwijs ook tegen die achtergrond moet worden gewaardeerd.
Relatief geringe verschillen die zich beperken tot de jaarwinstbepaling, zoals afschrijvingen en waarderingen, en die niet tot een fors uitstel leiden, hoeven niet tot de conclusie te leiden dat geen sprake is van een aanvaardbare grondslagbepaling. Het begrip winst in de wettekst is dus niet jaarwinst, en de ratio van de regeling van artikel 13 geeft steun aan de stelling dat de grondslag strikt van jaar tot jaar wordt vergeleken. Zie ook WFR 2006 787, waar Snel ingaat op de vraag of de laagbelastheid per jaar moet worden beoordeeld of over een langere termijn. Ook hij komt tot de conclusie dat de wetgever het oog moet hebben gehad op de totaalwinst en niet op de jaarwinst.
Een andere benadering zou ertoe leiden dat er sprake is van een beleggingsdeelneming in het jaar dat de rente wordt bijgeschreven en van een kwalificerende beleggingsdeelneming indien de rente het jaar daarop wordt betaald. Dat is een volstrekt ongerijnde uitkomst.
De conclusie van de kennisgroep is dat sprake is van een beleggingsdeelneming die is onderworpen aan een naar Nederlandse maatstaven reële heffing van winstbelasting.
Met vriendelijke groet,
Deelnemingsvrijstelling
Geef een reactie