1971020

AI-samenvatting

Deze notitie behandelt de vraag of het heffingsrecht van Nederland tot inhouding van dividendbelasting beperkt wordt door belastingverdragen. De conclusie is dat dit inderdaad het geval is, afhankelijk van de nationale behandeling van de voordelen bij inkoop, liquidatie of onzakelijke splitsing.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Ministerie van Financiën**
**Aan**
notitie Inhouding Dividendbelasting onder Verdragen
Directie Internationale Zaken en Verbruiksbelastingen

**Aanleiding**
De notitie vormt een aanzet tot de beantwoording van vragen die zijn gerezen naar aanleiding van een aantal recente casus in met name de IB maar ook in de VPB. In deze casusposities gaat het in hoofdlijnen om de situatie waarin een buitenlandse particulier een aanmerkelijk belang heeft in een in Nederland gevestigd lichaam respectievelijk een buitenlands lichaam een belast aanmerkelijk belang heeft in een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van art. 17 VPB en ter zake van die aandelen een voordeel geniet uit inkoop bij liquidatie of een onzakelijke splitsing.

In overeenstemming met…
Kopie aan…

Voorts wordt opgemerkt dat de bovenstaande casusposities zien op situaties waarin een verdrag van toepassing is waarin geen protocolbepaling is opgenomen waarin expliciet is vastgelegd dat inkomsten genoten bij de inkoop van aandelen of liquidatie van de vennootschap worden beheerst door het dividendartikel.

**Vraag**
De eerste deelvraag die in de betreffende notitie wordt behandeld is de vraag of in casu het relevante belastingverdrag mede in het licht van HR BNB 2004 123 en HR BNB 2007 41 het heffingsrecht van Nederland tot inhouding van dividendbelasting beperkt. Alvorens kan worden ingegaan op de andere deelvragen dient eerst antwoord te worden gegeven op deze eerste deelvraag.

**Kern**
In deze notitie wordt geconcludeerd dat het heffingsrecht van Nederland tot inhouding van dividendbelasting wordt beperkt door het verdrag.

**Toelichting**
**Toepassing verdragen**
Uit het OESO Modelverdrag komt niet duidelijk naar voren onder welk verdragsartikel het voordeel bij inkoop, liquidatie of onzakelijke splitsing moet worden gerangschikt. Gezien het hybride karakter van deze transacties kan in plaats van artikel 13 OESO Modelverdrag Vermogenswinsten ook artikel 10 OESO Modelverdrag Dividenden een rol spelen. Zie onder andere het OESO Commentaar bij artikel 13 paragraaf 31.

Kortom, het is dus afhankelijk van de nationale behandeling of het voordeel als dividend of als vervreemdingswinst moet worden aangemerkt in belastingverdragen. In de arresten van HR 25 mei 1994 BNB 1994 219, HR 12 december 2003 BNB 2004 123 en HR 9 juni 2006 BNB 2007 41 gaat de Hoge Raad hier nader op in.

**Hoge Raad van 25 mei 1994, BNB 1994 219**
Het arrest betrof de inkoop van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen door een in Nederland gevestigde vennootschap van een in Spanje woonachtige natuurlijke persoon. In geschil was of het voordeel behaald met de inkoop van aandelen het 15% tarief van artikel 10 van het verdrag Nederland-Spanje dan wel het 20% tarief van artikel 14 van het verdrag vergelijkbaar met artikel 13 OESO Modelverdrag van toepassing is.

**Hoge Raad van 12 december 2003, BNB 2004 123**
Het arrest had betrekking op de inkoop van aanmerkelijkbelangaandelen door een inwoner van België met betrekking tot een in Nederland gevestigde vennootschap. De inspecteur kwalificeerde de voordelen van de inkoop van aandelen onder de werking van artikel 10 Dividenden, terwijl de belanghebbende echter van mening was dat de inkomsten moesten worden beschouwd als vervreemdingswinsten onder artikel 13 Vermogenswinsten van het verdrag.

**Hoge Raad van juni 2006, BNB 2007 41**
In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat ook in deze casus uiteindelijk de uitleg onder de inkomstenbelasting prevaleert. Dit oordeel wordt door het middel vergeefs bestreden.

**Conclusie**
Voor de vraag of het voordeel behaald met inkoop, liquidatie of onzakelijke splitsing als dividend of als vervreemdingswinst moet worden gekwalificeerd voor verdragsdoeleinden, moet worden gekeken naar de nationale behandeling. Hiertoe moet worden gekeken naar de concrete fiscale positie van de belastingplichtige.

Naar onze mening kan op basis van de bovenstaande arresten worden afgeleid dat in geval alleen dividendbelasting wordt geheven, de bepalingen uit deze wetgeving voor gaan voor de kwalificatie van het voordeel onder het betreffende verdrag. Onder de dividendbelasting wordt het voordeel als dividend beschouwd en valt dan onder de werking van artikel 10 Dividenden.

Mocht er echter sprake zijn van meerdere heffingen, zoals bij buitenlandse belastingplichtigen die onderhevig zijn aan de inkomstenbelasting en de dividendbelasting, dan gaat de belastingwetgeving van de eindheffing voor, ervan uitgaande dat de bronheffing hiermee verrekend kan worden.

**Overige literatuur**
De zienswijze dat in geval van meerdere heffingen de kwalificatie van het voordeel onder de eindheffing voor gaat in geval de bronheffing hiermee verrekend kan worden, wordt tevens ondersteund door Vleggeert en Engelen.

**Bijlage**
Inkomstenbelasting
ABV Dividendbelasting
Voordeel valt onder de werking van artikel 10 Dividenden
Voordeel valt onder de werking van artikel 13 Vermogenswinsten

**Einde document**

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *