1951360

AI-samenvatting

In deze memo wordt de vraag behandeld of Nederland een belemmering vormt voor een Nederlandse vennootschap met een buitenlandse dochter in de uitoefening van de vrijheid van vestiging. De conclusie is dat Nederland geen belemmering vormt, aangezien de situatie van de vennootschappen niet leidt tot een fiscale eenheid zoals in eerdere jurisprudentie is vastgesteld.

Kennisgroepstandpunt

Memo IBR 1824Dezaken XBV enXNV eneen zuster FE
Van
Aan
Datum512e 512e
KG IBR
18juli 2018
bulten verzoek
buiten verzoek
bulten verzoek rergelijkbaarheid endevrijheid van vestiging
Zowel inhet arrest XHolding als inhet arrest indegevoegde zaken XlIV enXBV
hierna X Xging het om desituatie van een NLmoeder met een buitenlandse
dochter Het betreft dus depositie van een NLvennootschap die zich vestigt ineen
andere lidstaat door oprichting van een dochtervennootschapindieandere lidstaat
situatie 1
Inaldiegevallen vergeleek het HvJ die situatie zoals tedoen gebruikelijk met desituatie
waarin deNLvennootschap zich door oprichting van een dochtervennootschap in
Nederland vestigt situatie 2Telkens oordeelde het HvJ dat deNLvennootschap in
situatie 2een voordeel toekomt dedochter kan met demoeder worden opgenomenin
een fiscale eenheid dat haar insituatie 1wordt onthouden
Dat brengt het HvJ inX8iXpunt 22 totdevolgende constatering
Inpunt 19 van dat arrest WEMC XHolding heeft het Hofgeoordeeld dat wanneer een
moedervennootschap met een ineen andere lidstaat gevestigde dochteronderneming van
ditvoordeel wordt uitgesloten het voor demoedervennootschap minder aantrekkelijk
kan worden om haar vrijheid van vestiging uit teoefenen doordat zijervan wordt
afgeschrikt dochterondernemingen inandere lidstaten opterichten
Aan debasis van deze jurisprudentie staat dus een belemmering van devrijheid van
vestiging die erin bestaat dat een Nederlandse vennootschap een buitenlandse dochter
koopt ofopricht waarmee zijgeen fiscale eenheid kan vormen terwiji dat met een NL
dochter wel zou kunnen
Incasus IBR 1824 issprake van een Lux moeder Lux Mmet twee dochters NLDen
Lux DBelanghebbende betoogtdat wanneer Lux DinNLwas gevestigd zijmet NLD
een zuster FEhad kunnen vormen Dat isjuist maar inhet licht van deGroupe Steria
doctrine lijkt ons dat irrelevant
Allereerst rijst immers devraag welke vennootschap inwelk land wordt belemmerd in
deuitoefening van devrijheid van vestiging
Belanghebbendes betoog alsLux DinNL zou zijn gevestigd betekent indat licht als
Lux Mnieteen Lux dochter maar een NLdochter zou hebben opgericht Welbeschouwd
wordt Lux Mhier dus hooguit ontmoedigd om zich inLuxemburg tevestigen
Los van het feit dat deoprichting van Lux Ddoor Lux Meen strikt Luxemburgse lees
interne vestigingshandeling opievert kan naaronze mening zeker niet worden gezegd
dat Nederland hier openigerlei wijze een Nederlandse vennootschap belemmert inde
uitoefening van devrijheid van vestiging ineen andere lidstaat
Voor devolledigheid zijnog gewezen oppunt 19 inX Xwaarin het HvJ inbekende
bewoordingen uitlegt datdevrijheid van vestiging een verplichting intwee richtingen
impliceert
1
1951360 00088
Hoewel debepalingen betreffende devrijheid van vestiging vofgens debewoordingen
ervan het voordeel van denationale behandefing indelidstaat van ontvangst beogen te
waarborgen verbieden zijdelidstaat van oorsprong ook devestiging ineen andere
lidstaat van een van zijn onderdanen ofvan een naar zijn nationale regeling opgerichte
vennootschap tebemoeilijken
Inderelatie tussen Lux MenNLDisNederland delidstaat van ontvangst Nederland
werpt echter geen dam optegen opname van NLDineen zuster FE lees belemmert in
dat verband niet devestiging door Lux Mdoor oprichting van NLD
DeGroupe Steria doctrine mist incasu toepassing omdat Lux D IinLuxemburg is
gevestigd en iiniet isopgericht door een NLvennootschap Anders dan inXHolding en
X Xkomt Nederland bijdeze vestigingshandeling noch als lidstaat van ontvangst noch
als lidstaat van oorsprong inbeeld Anders ook dan inXHolding enX Xbelemmert
Nederland hier geen vennootschapindeuitoefening van devrijheid van vestiging
NB Bijhetvoorgaande dient teworden bedacht dat een zuster FEniet mogelijkisalsde
moeder van beide zusters inNL isgevestigd Diemoeder moet alsdan mee indeFE
Belanghebbende zou indat licht kunnen betogen dat defictieve FEmede Lux Momvat
Indatgeval isechter delening niet zichtbaar enverdwijnt derentelast Daar schiet de
belanghebbende dus niets mee op
Conclusie
Belanghebbendes betoog deGroupe Steria doctrine vergt dat indecombinatie NLDen
Lux Ddevoordelen van een zuster FEworden toegekend kan niet slagen omdat de
onmogelijkheid van die FE anders dan inXHolding enX Xniet wordt veroorzaakt
door een aan Nederland toerekenbare belemmering van devrijheid van vestiging^
23uitenverzoekHof Den Haag 5december 2017
Een|buiten verzoek[juntjeteraanvulling inde nog niet gepubliceerde conclusie van 5
juli 2018 nr 1800219 adviseert Wattel totongegrondheid van hetcassatieberoep
buiten verzoek
2
1951360 00088

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: