AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de bezittingen van belastingplichtige grotendeels uit beleggingen bestaan volgens artikel 20a lid 4 Wet VPB. De ruling concludeert dat dit het geval is, afhankelijk van de functie van de deelnemingen binnen de onderneming.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1950692**
**20a lid beleggingsbegrip bij houdstervennootschappen**
13 nov 2016
**VRAAG**
Bestaan de bezittingen van belastingplichtige grotendeels uit beleggingen zoals genoemd in artikel 20a lid aanhef Wet VPB indien de bezittingen louter beslaan uit indirecte belangen in vastgoeddeelnemingen en vorderingen op die deelnemingen?
**ANTWOORD**
Of een deelneming ter belegging wordt gehouden, hangt af van de functie die de deelneming voor de belastingplichtige heeft. Indien de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij, is geen sprake van een belegging. Indien de deelneming niet zo'n functie binnen de onderneming van de actieve houdstermaatschappij vervult, is sprake van een belegging. Nu deze relatie ontbreekt, is de kennisgroep van mening dat de belastingplichtige de vastgoeddeelnemingen louter ter belegging houdt. Voor een vordering geldt hetzelfde. Ook in dit verband is het van belang om de functie van de bezitting in ogenschouw te nemen. Kortom, de bezittingen van belastingplichtige bestaan grotendeels uit beleggingen. Artikel 20a vindt toepassing.
Geef een reactie