1891400

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de voortzettingseis in het kader van de Successiewet bij de uitgifte van soortaandelen aan een derde. Het besluit concludeert dat de voortzettingseis is voldaan, ondanks de uitgifte van nieuwe aandelen die betrekking hebben op een andere deelneming.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1891400**

Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Doorkiesnummer
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum: 2 november 2018
Behandelaar: Aan 5.1.2e per email. | 5.1.28
Uw kenmerk: Kenmerk KGSW18.0007
Betreft: Successiewet. BOR. Voortzettingseis bij indirecte verhoudingen, toetreden derde via soortaandelen

Geachte mevrouw/heer,

Recent hebt u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.

**Samenvatting**
Uitgifte van soortaandelen aan een derde in een holding die 100% aandeelhouder was van eerder met toepassing van de BOR geschonken aandelen in een werkmaatschappij, levert ook schending van de voortzettingseis op als die nieuw uitgegeven soortaandelen statutair zien op een andere deelneming dan de geschonken werkmaatschappij.

**Vraag**
Vader schenkt met toepassing van de BOR aandelen in Bakkerij BV aan zijn twee kinderen, X en Y. Er vindt herstructurering plaats waarna de kinderen via hun 100% personal holdings en een tussenhoudster indirect ieder voor 50% aandeelhouder zijn van Bakkerij BV. De inspecteur constateert inzake de herstructurering terecht geen strijd met de voortzettingseis. Drie jaar na de schenking geeft Tussenhoudster nieuwe soortaandelen uit aan een derde. Deze soortaandelen zien blijkens de statuten op nieuwe activiteiten in een andere deelneming van Tussenhoudster, namelijk Slagerij BV. Voldoen X en Y na deze uitgifte van soortaandelen in Tussenhoudster nog aan het voortzettingsvereiste ten aanzien van de verkrijging van Bakkerij BV?

**Antwoord**
De voortzettingseis ziet op 1) het voortzetten van het aandelenbezit en 2) het voortzetten door de betreffende lichaam van haar onderneming. Bakkerij BV zet haar onderneming voort zodat —na toerekening— aan het tweede deel van de voortzettingseis is voldaan. Hier is echter aan de orde of op andere wijze de aanspraak van de verkregen vermogensbestanddelen op toekomstige winsten of waardeontwikkelingen wordt beperkt, (art. 35e, eerste lid, onderdeel c, ten tweede SW). De statutaire bepaling dat de soortaandelen uitgegeven aan de derde zien op de Slagerij BV, heeft geen invloed op de toerekening van de aandelen van de beide deelnemingen aan Tussenhoudster. Die toerekening vindt plaats op basis van de waarde, en niet op basis van —via de statuten— de achterliggende vermogensbestanddelen. Het is dan inconsistent om de uitleg van ‘de aanspraak op toekomstige winsten of waardeontwikkeling’ wel aan de hand van de statutaire bepalingen te laten plaatsvinden.

**Toelichting**
Het terugnemen van de BOR wordt berekend door het percentage te bepalen van hetgeen in waarde naar de toetredende derde verschuift in de totale onderneming van Tussenhoudster (dus: voor welk deel wordt de toetreder gerechtigd in Bakkerij en Slagerij samen). Voor dat deel, vermenigvuldigd met de destijds verleende vrijstelling, wordt de BOR teruggenomen.

**Voorbeeld 2**
Holding A en Holding B bezitten 100% van de aandelen A respectievelijk B in werkmaatschappij AB BV. A is 100% aandeelhouder van Holding A en B van Holding B. De gerechtigdheid van Holding A tot het geplaatste aandelenkapitaal van de werkmaatschappij is 40% en voor Holding B is dat 60%. Het vermogen van de werkmaatschappij bestaat voor € 4 miljoen aan ondernemingsvermogen en voor € 1 miljoen aan beleggingsvermogen. De aandelen A hebben een waarde van € 2 miljoen en de waarde van de aandelen B is € 3 miljoen. Holding B bezit verder een bedrijfspand met een waarde van € 1 miljoen dat door de werkmaatschappij in gebruik is als bedrijfspand. Holding A heeft geen andere vermogensbestanddelen dan de deelneming in de werkmaatschappij. Als A overlijdt, laat hij aandelen na met een waarde van € 2 miljoen. Holding A drijft echter geen objectieve onderneming. Aangezien A een indirect aanmerkelijk belang heeft in de werkmaatschappij, mag het vermogen van de werkmaatschappij worden toegerekend aan de holding in de verhouding waarde van de aandelen A: totale waarde van de werkmaatschappij, in casu dus € 2 miljoen: € 5 miljoen. Dit betekent dat 2/5e deel van het totale vermogen van de werkmaatschappij wordt toegerekend aan Holding A. Van elk vermogensbestanddeel van de werkmaatschappij wordt dus gedaan alsof zij voor 2/5e deel aan Holding A toebehoort. Holding A bezit na deze toerekening € 1,6 miljoen aan ondernemingsvermogen en € 400.000 aan beleggingsvermogen. De vrijstelling kan worden toegepast op 90% (thans 83%).

**Voorbeeld 3**
Als het vorige voorbeeld, alleen nu is de gerechtigdheid van de aandelen A en B in het aandelenkapitaal van de werkmaatschappij voor beide soorten 50%, terwijl de waarde van aandelen A nog steeds € 2 miljoen bedraagt en de waarde van aandelen B nog steeds € 3 miljoen. Het verschil in waarde is ontstaan omdat A zich in het verleden de op zijn aandelen betrekking hebbende winstreserve heeft laten uitkeren en B niet. De uitkomst is desondanks niet anders dan bij voorbeeld 2, hoewel gesteld zou kunnen worden dat het beleggingsvermogen gekoppeld zou moeten worden aan de aandelen B.

Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
namens deze,
5.1.2e

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *