1891195

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de fiscale gevolgen van een schenking onder een ontbindende voorwaarde. Indien de begiftigde de schenking niet aan de toegelaten doelen besteedt, ontstaat er een terugbetalingsplicht. De fiscus moet toezien op de terugbetaling, zelfs als de schenker deze niet terugvordert.

Kennisgroepstandpunt

Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Fax: 088 — 152 76 89
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum: 15 februari 2018

Aan Belastingdienst: t.a.v. .
Uw kenmerk: KGSW 16.0032
Betreft: Successiewet. 100.000-vrijstelling. Niet terugvorderen schenking onder ontbindende voorwaarde. Handelwijze inspecteur.

Geachte mevrouw/heer,

U hebt een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.

**Samenvatting**

**Vraag**
Wat is het fiscale gevolg indien een begiftigde een onder voorwaarde van besteding aan de eigen woning verkregen schenking niet heeft besteed aan een van de toegelaten doelen? Gift en voorwaarde spelen zich af in het kader van de eenmalig-verhoogde-vrijstelling-eigen-woning (EVV-EW).

**Casusomschrijving**
Schenker schenkt aan zijn kind EUR 100.000. In de schenkingsakte staat een ontbindende voorwaarde opgenomen: indien het kind de schenking niet binnen twee jaar besteedt conform de voorwaarden die gelden voor de EVV-EW, treedt de ontbindende voorwaarde in werking. Het kind doet een beroep op de EVV-EW, maar besteedt het ontvangen geld niet aan een toegelaten doel. Hierdoor dient het geschonken bedrag, de EUR 100.000, terugbetaald te worden door begiftigde aan de schenker. Stel dat de schenker de EUR 100.000 niet terugvordert, wat is daarvan dan het (fiscale) gevolg?

**Antwoord**
Omdat de ontbindende voorwaarde intreedt, ontstaat er een terugbetalingsplicht voor de begiftigde en een vorderingsrecht voor de schenker. De fiscus heeft er belang om na te gaan of er ook daadwerkelijk wordt terugbetaald.

**Toelichting**
**Uitwerking / stappenplan**
1) Aankondigen van een navorderingsaanslag schenkbelasting omdat men niet voldoet aan de vereisten voor de vrijstelling.

In het geval het antwoord is dat er niet zal worden geïnd, heeft er een schenking plaatsgevonden in de vorm van een kwijtschelding in dat jaar van kwijtschelding.

**Terzijde: geen artikel 15 SW**
Artikel 15 SW spreekt uitdrukkelijk over een (renteloze) geldlening. Hier is van een geldlening nog geen sprake omdat de schenker in eerste instantie een vordering heeft op begiftigde. De vruchten uit deze vordering worden niet fictief belast op grond van artikel 15 SW. Dit wordt pas anders indien schenker en begiftigde zelf verklaren dat er een geldleningsovereenkomst is gesloten, en die ook nog eens een keer renteloos / laagrentend is.

**Vraag**
Wat is het fiscale gevolg indien een begiftigde de EVV-EW-schenking niet heeft besteed aan een van de toegelaten doelen? Het gaat hier om de situatie waarbij geschonken is onder de ontbindende voorwaarde en de ontbindende voorwaarde schriftelijk is vastgelegd.

**Casusomschrijving**
Schenker schenkt aan zijn kind EUR 100.000. Het kind doet een beroep op de EVV-EW. In de schenkingsakte staat een ontbindende voorwaarde opgenomen: indien het kind de schenking niet binnen twee jaar besteedt conform de voorwaarden die gelden voor de EVV-EW, treedt de ontbindende voorwaarde in werking. Door het zich voordoen van de ontbindende voorwaarde (schenking wordt niet besteed aan de bestemming), dient het geschonkene, de EUR 100.000, terugbetaald te worden door begiftigde aan de schenker. Het recht tot terugbetaling verjaart na vijf jaar.

Stel dat de schenker de EUR 100.000 niet terugvordert, wat is daarvan dan het fiscale gevolg?

**Uitwerking / stappenplan**
1) Het opleggen van een navorderingsaanslag schenkbelasting nu dat men aan de vrijstelling niet toekomt.
2) Reactie begiftigde
– In het geval het antwoord is dat er niet zal worden geïnd, dan heeft er een schenking plaatsgevonden in de vorm van een kwijtschelding;

Immers op grond van artikel 6:38 BW is de vordering direct opeisbaar. Een direct opeisbare vordering verjaart vervolgens vijf jaar na het opeisbaar worden daarvan; artikel 3:307 BW. Na verjaring resteert een natuurlijke verbintenis. Betaalt de begiftigde alsnog, dan is dat geen schenking maar de nakoming van een schuld (ook al was deze niet rechtens afdwingbaar). Immers: wie zijn schulden betaalt, verarmt niet.

**Artikel 15 SW en geldlening**
Artikel 15 SW heeft het uitdrukkelijk over een (renteloze) geldlening. Echter van een geldlening is hier nog geen sprake daar schenker een vordering heeft op begiftigde. De geldlening is geregeld in boek 7 BW oftewel bijzondere overeenkomsten. Partijen zijn dus een geldleningsovereenkomst met elkaar aangegaan waardoor dus niet per direct geïnd behoeft te worden.

Wat is nu een geldlening? Per 1 januari 2017 heeft het figuur van de geldlening zich losgemaakt van de oude titel 7A.14 (over verbruiklening waar ook de geldlening onder viel). De geldlening tussen particulieren is geregeld in titel 7.2C BW inzake geldlening, artikel 7:129 BW. De wetgever neemt de uitlener in bescherming door te bepalen dat van een overeenkomst van geldlening pas sprake is wanneer de uitlener zich óf schriftelijk heeft verbonden tot het verstrekken van een som geld (tegen terugbetaling) óf pas nadat hij het geld aan de lener heeft verstrekt. Bij particulieren is rente slechts verschuldigd indien dit schriftelijk is bedongen; artikel 7:129c lid 1 BW.

Kortom: volgens het BW ontstaat een geldleningsovereenkomst niet zomaar. De wetgever neemt de uitlener in bescherming door hem goed na te laten denken alvorens hem zomaar geld uit te laten lenen. Partijen (uitlener en lener) moeten actief en gericht met elkaar gehandeld hebben om een geldleningsovereenkomst in het leven te roepen.

In vraag en antwoord (vordering ontstaan uit niet verrekend Amsterdams Verrekenbeding) en het besluit van de Staatssecretaris d.d. 18 oktober 2016, BLKB2016/130M is besloten de vordering ontstaan uit een niet verrekend Amsterdams Verrekenbeding niet te vermoeien met artikel 15 SW. Ook hier wordt de keuze gemaakt om deze vordering niet in de heffing te betrekken op grond van artikel 15 SW. Dit wordt anders indien schenker en begiftigde zelf verklaren dat er een geldleningsovereenkomst is gesloten die ook nog eens een keer renteloos is. Artikel 15 SW is een fictie en behoeft daarom de bevoordelingsbedoeling niet gesteld en bewezen te worden: de wet betitelt dit tot een schenking.

Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
namens deze,

**Conclusie**
Nu komt dit erbij: het niet besteden van de schenking aan de woning en dus moet de schenking terug, echter dit gebeurt niet. Hoe hier fiscaal mee om te gaan? Zoals altijd, is het duidelijk hoe te handelen indien belastingplichtige en schenker zelf aangeven wat ze hebben gedaan: kwijtschelding of een geldleningsovereenkomst.

Moeilijker wordt het wanneer schenker geen standpunt inneemt en ‘de boel de boel laat’: is dat een bewust of een onbewust stilzitten? Advies bij dit laatste is om de casus met de VTA te bespreken. Een geslaagde voortzetting van de casus is enkel en alleen afhankelijk indien men de feiten en omstandigheden duidelijk in kaart heeft. Zodoende kan men beoordelen hoe de juridische kaarten geschud zijn.

In het beste geval lijkt het alleen een IB kwestie/ Box 3 kwestie te zijn: de vordering en schuld worden in box 3 opgevoerd.

Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
namens deze.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *