1891192

AI-samenvatting

In deze belastinguitspraak wordt bevestigd dat een pand moet worden meegenomen bij de bepaling van de waarde van de objectieve onderneming voor de BOR, zelfs als het pand na splitsing niet wordt overgedragen. Dit is alleen van toepassing als het pand kwalificeert als ondernemingsvermogen volgens de relevante belastingregels.

Kennisgroepstandpunt

1891192
BOR, bepaling omvang objectieve onderneming art. 35b, lid 1
(KGSW16.0029)

Vraag:
Moet een pand meegenomen worden ter bepaling van de waarde van de objectieve onderneming voor de BOR, ook als deze na splitsing niet mee overgaat?

Antwoord:
Casus
Vader heeft een 100% belang in een holding. Deze holding heeft een 100% belang in deelneming 1 en een 100% belang in deelneming 2. In de holding zit, naast de deelnemingen, nog een aan deelneming 2 verhuurd pand en wat beleggingsvermogen. Beide deelnemingen drijven een materiéle onderneming. Vader wenst deelneming 2 aan zijn kind te schenken. Daartoe splitst hij de holding af in Newco, waarin zich deelneming 2 bevindt. In de holding blijft achter deelneming 1, het verhuurde pand en het beleggingsvermogen. Vervolgens schenkt hij Newco (met deelneming 2) aan zijn kind.

Antwoord
Het pand moet worden meegenomen ter bepaling van de waarde van de objectieve onderneming, ook als deze na splitsing niet mee overgaat. Voorgaande mits dit pand kwalificeert als ondernemingsvermogen in de zin van art. 7 UR Schenk- en erfbelasting.

Toelichting
De BOR-vrijstelling van art. 35b SW wordt bepaald door de volgende breuk: waarde verkrijging / waarde objectieve onderneming x de vrijstelling. Het begrip objectieve onderneming is ontleend aan hetgeen geldt voor de inkomstenbelasting. Daarnaast zijn in art. 7 UR Schenk- en erfbelasting onder meer nadere regels opgenomen. Op basis van art. 7 lid 4 UR Schenk- en erfbelasting wordt de objectieve onderneming in deze casus bepaald op het moment voorafgaand aan de splitsing. Dit vierde lid is opgenomen om zo een voorziening te treffen voor situaties waarin een erflater of schenker zich in het zicht van overlijden/schenking ontdoet van de holding teneinde te bereiken dat meerdere keren gebruik kan worden gemaakt van de 100% vrijstelling. Verder wordt de waarde van de objectieve onderneming beoordeeld vanuit de positie van de erflater of schenker. Dit betekent dat ook rekening moet worden gehouden met eventueel door de schenker of erflater gehouden buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen maar ook met eventuele ter beschikking gestelde onroerende zaken in de zin van art. 3.92 IB. Dit blijkt ook uit het navolgende Eerste Kamerstuk. “Voor buitenvennootschappelijk gehouden ondernemingsvermogen en ter beschikking gestelde onroerende zaken zal in de uitvoeringsregeling worden bepaald dat daarmee voor de bepaling van de waarde van de objectieve onderneming rekening moet worden gehouden. Dit geldt ook als dit vermogen niet door de verkrijger wordt verkregen teneinde te bereiken dat een gefaseerde bedrijfsopvolging en een bedrijfsopvolging ineens, gelijk worden behandeld.” Op grond van art. 7 lid 3 UR Schenk- en erfbelasting worden bij het bepalen van de totale waarde van de objectieve onderneming de toegerekende bezittingen en schulden meegenomen voor zover zij ondernemingsvermogen vormen. In dit geval moet de waarde van de objectieve onderneming worden bepaald vanuit het totale concern waartoe de vennootschap behoort waarin de aandelen worden verkregen. Het pand in deze casus wordt voor de splitsing binnen het concern verhuurd aan deelneming 2 en betreft derhalve ondernemingsvermogen. Samenvattend dient het pand in deze situatie meegenomen te worden ter bepaling van de waarde van de objectieve onderneming ondanks het feit dat deze niet mee overgedragen wordt.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *