1891190

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de voorwaarden en kenmerken van een sociaal belang behartigende instelling (SBBI) onder de Successiewet. Het benadrukt dat een SBBI zich richt op het particuliere belang van haar leden, maar ook een sociaal belang kan behartigen, mits aan de wettelijke eisen wordt voldaan.

Kennisgroepstandpunt

1891190
Kenmerk 1
Fout! Onbekende naam voor documenteigenschap.
Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Doorkiesnummer
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum 24 april 2017
Behandelaar
|
Uw kenmerk
Kenmerk KGSW16.0025
Betreft Successiewet. SBBI-notitie

Geachte mevrouw/heer,
Naar aanleiding van uw vraag, bericht ik u bij wijze van onderstaande notitie, als volgt.

SOCIAAL BELANG FISCAAL GEDUID
SBBI-BEGRIP
De SBBI (sociaal belang behartigende instelling) is een begrip dat in bij de herziening van de Successiewet is geïntroduceerd met ingang van 1 januari 2010. Het is derhalve een jong fiscaal begrip. Na de herziening van de SW is in het kader van de zgn. Geefwet het SBBI-begrip uit de Successiewet overgebracht naar de AWR. In de parlementaire geschiedenis van beide wetgevende trajecten is het nodige gezegd over het karakter van een SBBI. De thans geldende wettelijke bepalingen luiden:

Artikel 5c
a. die in overeenstemming met haar regelgeving een sociaal belang behartigt;
b. die niet aan een winstbelasting is onderworpen dan wel daarvan is vrijgesteld;
c. die aan de leden van het orgaan van de instelling dat het beleid bepaalt ter zake van de door die leden voor de instelling verrichte werkzaamheden geen andere beloning toekent dan een vergoeding voor gemaakte onkosten en een niet bovenmatig vacatiegeld;
d. die is gevestigd in het Koninkrijk, in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een bij ministeriële regeling aangewezen staat.

Artikel 5d
1. Een steunstichting SBBI is een stichting die voldoet aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden en die is opgericht uitsluitend met het doel geld in te zamelen ter ondersteuning van een sociaal belang behartigende instelling ten behoeve van een bij ministeriële regeling aan te wijzen doel.
2. Het ontwerp van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste vier weken voordat de regeling wordt vastgesteld, overgelegd aan de beide kamers der Staten-Generaal.

Afbakening jegens algemeen belang
De begrippen algemeen belang en particulier belang staan naast elkaar. Particuliere belangen zijn onder te verdelen in sociale belangen en andere particuliere belangen. Algemeen belang en particulier belang sluiten elkaar derhalve ogenschijnlijk uit. De doelstelling van een ANBI mag niet gericht zijn op wat in wezen het eigen belang is van leden of bestuurders, en haar feitelijke werkzaamheden moeten in overeenstemming zijn met die doelstelling. Een ANBI moet derhalve een doel hebben dat buiten het terrein ligt van het behartigen van de belangen van haar leden of bestuurders. Een ANBI richt haar activiteiten naar buiten toe, ten behoeve van derden of van doelen die (ver) buiten de directe eigen levenssfeer liggen.

Bij een SBBI ligt het anders dan bij een ANBI. Een SBBI richt zich op wat haar doelstellingen betreft juist wel voornamelijk op haar eigen belang en op dat van haar leden. Kamerstukken I, 31930, nr. D, p. 15 en 16. Dit betekent dat wanneer een instelling die een algemeen nut beoogt, maar niet aan de vereisten voor een ANBI voldoet, daarmee niet automatisch in het ‘vangnet’ van de SBBI belandt. Zoals hiervoor is opgemerkt, betekent dit echter niet dat alle voormalige ANBI’s die niet langer aan het 90%-criterium voldoen, aangemerkt kunnen worden als SBBI. Kamerstukken II, 31930, nr. 4, p. 17.

Een stichting die een algemeen nut beoogt, maar niet de ANBI-status heeft, bijvoorbeeld omdat zij haar gegevens niet op internet publiceert, kan geen SBBI zijn omdat zij zich richt op het algemeen belang en niet het particuliere belang. Iets dergelijks geldt ook voor ex-ANBI’s die niet langer die status hebben omdat zij niet aan het 90%-criterium voldoen (bv. slechts voor 60% het algemeen belang behartigen). Toch sluit de wetsgeschiedenis niet uit dat een dergelijke instelling de SBBI-status kan hebben.

Bij de ANBI nieuwe stijl staat het dienen van het algemeen belang voor ten minste 90% voorop. Bij een SBBI staat het dienen van het particuliere belang voorop. De activiteiten van de SBBI moeten verder van dien aard zijn dat zij een grote maatschappelijke waarde hebben; in welk geval er sprake is van het behartigen van het sociaal belang. De ANBI’s die onder de huidige regeling aan het 50% criterium voldoen maar straks niet meer aan het 90% criterium, bijvoorbeeld omdat zij in ongeveer gelijke mate de particuliere belangen dienen van hun leden, kunnen in dat kader wel een sociaal belang behartigen. Indien dit het geval is en ook aan de overige voorwaarden van het voorgestelde artikel 32, eerste lid, onder 8°, van de Successiewet 1956 voldaan wordt, kunnen die voormalige ANBI’s in aanmerking komen voor de voorgestelde vrijstelling van erf- en schenkbelasting voor SBBI’s. Zoals hiervoor is opgemerkt, betekent dit echter niet dat alle voormalige ANBI’s die niet langer aan het 90%-criterium voldoen, aangemerkt kunnen worden als een SBBI. Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 4, p. 17.

De gedachte dat een fors percentage algemeen nuttige activiteiten, uitsluit dat het behartigen van een sociaal belang (= particulier belang) voorop kan staan, dient derhalve niet te dogmatisch te worden omarmd. Uit de aangehaalde passage uit wetsgeschiedenis vloeit voort dat wanneer een instelling ongeveer in gelijke mate het algemeen en het particulier belang dient, die instelling een SBBI kan zijn wanneer die particuliere belangen tevens sociale belangen zijn.

Sociaal belang
Om beter in zicht te krijgen wat wordt bedoeld met sociaal belang, eerst een paar passages uit de wetsgeschiedenis. “De leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de VVD hebben verzocht duidelijker aan te geven wat onder een sociaal belang wordt verstaan en wat het verschil met algemeen belang is. Het principiële onderscheid tussen het sociale en algemene belang is, dat het sociale belang in feite een particulier belang is waaraan desalniettemin maatschappelijk een grote waarde wordt toegekend. Sociaal belang behartigende instellingen dienen in de eerste plaats — in tegenstelling tot algemeen nut beogende instellingen — het privé belang van de leden van de instelling. Het plezier dat die leden ontlenen aan de binnen het verband van de SBBI verrichte activiteiten – sporten, muziekmaken, volksdansen of toneelspelen enz. – staat daarbij duidelijk voorop. Maar daarnaast is er sprake van dat die activiteiten een toegevoegde waarde hebben, omdat ze maatschappelijk als wenselijk worden ervaren. Die toegevoegde waarde zit in het feit dat de activiteiten van de instelling uitgevoerd worden door, voor en met mensen en daarmee bijdragen aan het gevoel van saamhorigheid, solidariteit en betrokkenheid. De werkzaamheden van de sociaal belang behartigende instelling dragen bij aan een sterkere en gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart.

Als voorbeelden van de instellingen die in het algemeen in aanmerking zullen kunnen komen voor de vrijstelling van schenk- en erfbelasting, de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en D66 vragen daarnaar, kunnen worden genoemd amateursportinstellingen, niet-commerciële dorpshuizen, lokale scoutinggroepen, muziekkorpsen, amateurtoneelverenigingen, dansgroepen, personeelsverenigingen, buurtverenigingen etc. De ANBI onderscheidt zich van de SBBI in zoverre dat in haar doelstelling en bij de werkzaamheden het particuliere belang van de direct betrokkenen niet alleen niet in de eerste plaats komt, maar zelfs dat dit particuliere belang in feite geen enkele rol speelt. De activiteiten van de ANBI moeten immers uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten algemene nutte strekken.” Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 59.

Door middel van activiteiten van een SBBI wordt bijgedragen aan individuele ontplooiing van de leden of de doelgroep, de cohesie in de samenleving en daarmee een gezondere maatschappij.

“Voorbeelden van SBBI’s:
– zang- en (volks)dansverenigingen
– muziek- en harmonieverenigingen
– sportclubs
– buurtverenigingen
– niet-commerciële buurt- en dorpshuizen
– hobbyclubs
– personeelverenigingen
– ouderenverenigingen
– lokale scoutingclubs
– amateur toneelverenigingen en theatergroepen
– andere maatschappelijke organisaties van waarde voor de samenleving, met als overeenkomstige doelstelling: het behartigen van het particuliere belang van de instelling en leden, met activiteiten die in het sociaal belang zijn.” Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, p. 41.

‘Vrienden van’
Uit de aangehaalde wetsgeschiedenis komt naar voren dat behartigen van een sociaal belang een gevolg is van activiteiten in de sfeer van het particulier belang. Een SBBI kan derhalve niet rechtsreeks het sociaal belang behartigen, het sociaal belang is een afgeleide. Daarom wordt er geen eis van direct het sociaal belang behartigen gesteld. Dat heeft ook een andere kant. Een stichting ‘vrienden van de SBBI’ ondersteunt een particulier belang, en kan daarom geen ANBI zijn. Activiteiten in de sfeer van het particuliere belang krijgen alleen een fiscaal gefacilieerde status, wanneer die activiteiten een sociaal belang behartigen. Dat zijn derhalve de activiteiten van de stichting ‘vrienden van’ zelf. Kortom: een stichting ‘vrienden van’ krijgt de SBBI-status van art. 5c AWR niet doordat de instelling waarvan zij vriend is, een SBBI is.

Een steunstichting van wie het enige doel is geld in te zamelen voor de SBBI kan wel een fiscale status krijgen, maar dan dient zij te voldoen aan de eisen van art. 5d AWR. Daarvoor is dus niet nodig dat de activiteiten van de steunstichting zelf een sociaal belang behartigen.

Duale instellingen
Het komt voor dat instellingen zowel activiteiten ontplooien die onder de noemer sociaal belang vallen, als activiteiten die als overige particulier belang zijn te bestempelen. In de regelgeving is geen grens opgenomen, zoals het 90%-criterium dat voor ANBI’s geldt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bewust is afgezien van een dergelijke eis.

“Zo hebben zij in verband met de invoering van het 90%-criterium bij ANBI’s gevraagd in welke mate een SBBI het sociaal belang moet behartigen. Daarop is mijn antwoord dat de in de Successiewet 1956 bij deze herziening opgenomen vrijstelling voor SBBI’s slechts geldt, indien aan de verkrijging geen opdracht is verbonden welke daaraan het karakter ontnemen van te zijn geschied in het sociaal belang. Van doorslaggevende betekenis is dus dat de verkrijging voor 100% voor de behartiging van het sociaal belang wordt gebruikt. Ik acht het daarom niet noodzakelijk de mate waarin de instelling het sociaal belang moet behartigen, wettelijk te bepalen.” Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 94.

Anders gezegd: het geld dat met de verkrijging wordt ontvangen dient voor 100% aan het sociale belang te worden besteed, maar het sociale belang hoeft niet 100% van de activiteiten van de instelling te omvatten. De met de vrijstelling ontvangen gelden worden als het ware geoormerkt voor het sociale belang. Dit is derhalve een controle-aspect.

De wetgever heeft er bewust voor gekozen de invulling van het begrip sociaal belang over te laten aan de praktijk en aan de rechter: ‘SBBI’s zijn echter een nieuwe categorie van instellingen die de overheid wil steunen wegens hun toegevoegde maatschappelijke waarde. Een algemene beschrijving van deze categorie geeft de praktijk en rechterlijke macht de ruimte een nadere invulling aan het begrip sociaal belang te geven en voorkomt dat van de toepassing van de SBBI vrijstelling instellingen uitgesloten worden die, hoewel zij net niet binnen de beschreven categorie vallen, wel degelijk een sociaal belang behartigen. Het voordeel van een dergelijk systeem is dat beter kan worden omgegaan met ontwikkelingen die op het moment van de totstandkoming van de wet niet te voorzien waren. Herhaald wordt dat onder het behartigen van een sociaal belang verstaan wordt activiteiten die weliswaar in de eerste plaats gericht zijn op het particuliere belang maar waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden omdat zij ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.” Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 13, p.12.

Uit de hiervoor aangehaalde woorden van Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 94, welke passage meer specifiek over de mate van het sociaal belang gaat blijkt dat er helemaal geen grenspercentage bestaat, maar dat alleen vereist is dat het verkregen geld ook aan het sociale belang wordt besteed. Derhalve kan ook een instelling met een klein sociaal belang kwalificeren. Bijvoorbeeld een vereniging van eigenaren van een flatgebouw, die met de verkrijging de jaarlijkse flat-BBQ financiert. Binnen die instelling dient het ontvangen geld dan voor het sociale belang te worden gebruikt. Dat vraagt derhalve om een afloopcontrole.

Onnodig te zeggen dat het lastig is voor de instelling om aannemelijk te maken dat het ontvangen geld ook echt aan het sociale doel is besteed. Omdat er een beroep op een vrijstelling wordt gedaan, ligt de bewijslast bij de instelling. Nergens blijkt dat men het ontvangen geld ook direct of binnen korte tijd aan het sociale belang moet hebben besteed. De bepaling dat niet meer vermogen wordt aangehouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteit van de voorziene werkzaamheden (anti-oppoteis ANBI art. 1b Uitv.Reg AWR 1994) geldt niet voor de SBBI. Dat kan er in de praktijk toe leiden dat in aanvang de aangifte wordt gevolgd, en na controle blijkt dat het geld niet is besteed aan het sociale belang. Dan doet zich de vraag voor of het nieuw feit van art. 16 AWR niet is verspeeld.

Omvang doelgroep
De vraag komt op of een zeer kleine of juist een heel grote doelgroep of aantal leden, van invloed is op de beoordeling van de SBBI-status. Het commentaar in de Vakstudie SW merkt daarover op (art. 32, aant. 4)
Voor de kwalificatie als ANBI is volgens vaste jurisprudentie vereist dat doel en feitelijke werkzaamheden van de instelling primair zijn gericht op een algemeen belang en is niet voldoende dat de werkzaamheden tevens zijdelings het algemeen belang dienen. Bij de SBBI gaat het daarentegen om instellingen wier werkzaamheden zich primair richten op een particulier belang, dat wil zeggen het belang van leden of van een beperkte doelgroep, maar waaraan niettemin maatschappelijk een grote waarde wordt toegekend.

De woorden ‘beperkte doelgroep’ komen niet voor in de wetsgeschiedenis. Uit de hiervoor al aangehaalde passage blijkt ondermeer dat het juist de saamhorigheid is die voorspruit uit de activiteiten waaruit een sterkere samenleving voortvloeit, welke reden is voor het invoeren van de vrijstelling. Die toegevoegde waarde zit in het feit dat de activiteiten van de instelling uitgevoerd worden door, voor en met mensen en daarmee bijdragen aan het gevoel van saamhorigheid, solidariteit en betrokkenheid. De werkzaamheden van de sociaal belang behartigende instelling dragen bij aan een sterkere en gezondere samenleving waarin iedereen meetelt en dat ook ervaart. Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, p. 59.

Het woord instelling geeft aan dat er geen bepaalde rechtsvorm is voorgeschreven. Ook buitenlandse instellingen kunnen kwalificeren als SBBI. Een stichting kan een SBBI zijn. Omdat een stichting geen leden kent, kan het criterium niet zijn of de activiteiten door, voor en met de leden worden uitgevoerd. Het zal eerder gaan om een kring van betrokkenen. Bij heel kleine instellingen kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage aan een sterkere samenleving. Omdat de wetgever hier geen duidelijke richtsnoer geeft, zal hier in de uitvoering zeer voorzichtig mee moeten worden omgegaan. Waarschijnlijk is de grens van 25 “leden” die geldt voor de periodieke giftenaftrek al te hoog. Immers ook bij kleinere verbanden kan saamhorigheid worden beleefd (en misschien zelfs wel in hogere mate).

Wanneer de kring van -potentiele- betrokkenen groot is (stichting tot organisatie van een stratenvolleybaltoernooi voor de stad Amersfoort) komt de vraag op of de stichting nog wel particuliere belangen behartigt, of dat zij toch niet meer het algemeen nut beoogt. Zoals hiervoor is opgemerkt, acht de wetgever het mogelijk dat een instelling die mede het algemeen nut beoogt, maar geen ANBI-status heeft, toch een SBBI is. Het is daarom beter om het argument dat de doelgroep te groot is om voor de SBBI-status in aanmerking, niet te gebruiken.

Familiestichting
Wanneer de verkrijger een familiestichting is die tot doel heeft de familieband te behouden en versterken (door familiedagen etc.), kan er aan worden getwijfeld of de wetgever dergelijke instellingen onder de SBBI-regeling heeft willen brengen. Bij de voorbeeldenlijst zoals de aan de Eerste Kamer werd verstrekt, lijkt vooral aan voor een ieder openstaande instellingen te zijn gedacht. Ballotage of beperking tot een familiekring lijkt hier slecht mee te verenigen. Dergelijke instellingen dienen daarom de SBBI-status te worden onthouden.

‘APV’s en instellingen ten behoeve van individuele belangen of individueel gerichte opdrachten, zoals familiestichtingen, kunnen niet als ANBI of SBBI kwalificeren.” Kamerstukken I 2009/10, 31 930, D, p.41.

Beleid?
Omdat de woorden sociaal belang uit het SBBI-begrip weinig ingevuld zijn en regelmatig tot vragen leiden, heeft de praktijk behoefte aan nadere duiding. Nu de wetgever het echter aan de praktijk heeft overgelaten om die nadere invulling te verzorgen, ligt het niet voor de hand dat dat via een beleidsbesluit zou gebeuren. In voorkomende gevallen dient de Belastingdienst haar standpunt te bepalen, en zo nodig voor de rechter te verdedigen.

Publieksinformatie
De beoordeling of de vrijstelling voor verkrijging door een SBBI van toepassing is, is een zaak van de Belastingdienst. Omdat er geen sprake is van een officiële status (zoals bij de ANBI-beschikking), kan de burger niet zelf die toets uitvoeren. Als dat wel kan: instelling X heeft een ANBI-beschikking; kind Y krijgt een gift in geld van minder dan het vrijstellingsbedrag, hoeft van de vrijgestelde verkrijging geen aangifte te worden gedaan. Omdat bij een SBBI geen status wordt afgegeven door de Belastingdienst is die absolute duidelijkheid er niet, en moet wel aangifte worden gedaan.

SBBI’s worden in tegenstelling tot ANBI’s niet formeel via een beschikking als zodanig aangemerkt. De SBBI-status is in die zin minder formeel. Of sprake is van een SBBI zal dus pas kunnen worden beantwoord zodra op een fiscale faciliteit voor SBBI’s een beroep wordt gedaan bij de aanslagregeling. Dat er geen SBBI-register is heeft te maken met het feit dat er geen beschikkingen met betrekking tot de status van SBBI’s nodig zijn. De rechtszekerheid die een register zou bieden, weegt niet op tegen de uitvoeringslasten voor de fiscus en de administratieve lasten voor de SBBI’s die het opzetten en bijwerken van een register zou meebrengen.

‘Wat betreft de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst geldt het volgende. Het opzetten en onderhouden van een SBBI-register zou aan hoge eisen van juistheid, tijdigheid en volledigheid moeten voldoen. (…) Het opzetten en onderhouden van een dergelijke SBBI-registratie- en beschikkingensysteem brengt – gezien het feit dat de omvang van de groep SBBI’s wordt geschat op een veelvoud van het aantal ANBI’s – voor de Belastingdienst zeer hoge uitvoeringskosten mee. (…) Gezien het geringe aantal bij de Belastingdienst bekende verervingen en schenkingen (schenkingen onder vrijstellingsgrens behoeven niet te worden aangegeven) aan SBBI’s zou het niet proportioneel zijn om vooraf al deze instellingen te beoordelen ten behoeve van opname in een dergelijk register. Om in algemene zin alle instellingen daartoe actief te benaderen, te controleren en te registreren weegt niet op tegen de verwachte omvang van het gebruik van dit register. Indien instellingen schenkingen of verervingen in het vooruitzicht hebben en zij in onzekerheid verkeren of zij een SBBI zijn, is het altijd mogelijk over hun status als SBBI vooroverleg met de Belastingdienst aan te vragen. Zo kunnen de instellingen naar behoefte duidelijkheid over de SBBI-status verkrijgen.

Kamerstukken II 2009/10, 31 930, nr. 13, p. 11-12.

Vooroverleg
Het komt regelmatig voor dat instellingen aan de Belastingdienst vragen of zij, indien zij een verkrijging zouden ontvangen, in aanmerking komen voor de SBBI-vrijstelling. De Belastingdienst merkt dergelijke brieven aan als verzoeken om vooroverleg. Met een slag om de arm (uitgaande van de huidige stand van wetgeving & rechtspraak, en de juistheid van de aangeleverde informatie), geeft de Belastingdienst dan haar zienswijze.

Gevolg hiervan is dat, ook al heeft het vooroverleg plaatsgevonden en stemt de Belastingdienst in met toepassing van de SBBI-vrijstelling, er toch aangifte moet worden gedaan. Bij ANBI’s is het risico dat belastbare (maar vrijgestelde) feiten niet in beeld komen bij de fiscus, voor rekening van de Belastingdienst, bij SBBI’s niet. Dat is het gevolg van de uitdrukkelijke keuze geen SBBI-beschikking en -register in te stellen. Het voeren van vooroverleg is gericht op het verkrijgen van zekerheid vooraf, niet om verschoond te blijven van de aangifteplicht of het beperken van het zicht van de fiscus op belastbare feiten.

Bij een instemmende reactie van de Belastingdienst in vooroverleg, geeft de Belastingdienst zekerheid dat wanneer op die dag een belastbare verkrijging zou hebben plaatsgevonden, de SBBI-vrijstelling zou zijn toegepast. De antwoordbrief dient daarom een zgn. disclaimer te bevatten. Of andere organisaties (zoals het UWV) op basis van vooroverleg van SBBI met de Belastingdienst, een bepaald beleid voeren tegenover derden (vrijwilligers bij de SBBI), is aan die organisaties. Daar treedt de Belastingdienst niet in. Het enige wat de Belastingdienst moet doen, is duidelijk maken dat er 1) een groot formeel verschil bestaat tussen een ANBI-beschikking en een (SBBI)-vooroverleg, en 2) het inhoudelijke verschil tussen een ANBI en een SBBI. De Belastingdienst is niet verantwoordelijk voor informatie op de site van andere organisaties. En informatie op die sites van anderen (‘de fiscus vindt stichting XYZ een SBBI’), bindt de Belastingdienst niet.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *