AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt de waardering van de overbedelingsschuld van de langstlevende bij het tweede overlijden behandeld. De ruling bevestigt dat deze waarde moet worden bepaald op basis van de civielrechtelijke waarde, los van de WOZ-waarde.
Kennisgroepstandpunt
1891189
Waardering overbedelingsschuld, huis tegen WOZ of WEV (KGSW16.0024)
Vraag:
Hoe dient de overbedelingsschuld van de langstlevende bij het tweede overlijden te worden bepaald, aan de hand van de WOZ-waarde of aan de hand van de waarde in het economische verkeer?
Casus
Moeder overlijdt in 2015. Erfgenamen: echtgenoot en dochter, ieder 1/2e deel. Wettelijke verdeling is van toepassing. In de nalatenschap zit een woning met een WOZ-waarde van €[GEANONIMISEERD]. De fiscale waarde van de vordering van de dochter bedraagt €[GEANONIMISEERD]. Vader overlijdt in [GEANONIMISEERD]. Erfgenaam: dochter. In de nalatenschap zit een overbedelingsschuld vanwege de wettelijke verdeling. De woning is vlak na het overlijden van moeder verkocht voor €[GEANONIMISEERD]. De notaris berekent de civiele overbedelingsschuld op €[GEANONIMISEERD]. De heffingsambtenaar is van mening dat slechts de fiscale overbedelingsschuld van €[GEANONIMISEERD] in mindering kan worden gebracht (even los van rente).
Antwoord:
De waarde van een schuld van de nalatenschap wordt bepaald, los van de waarderingsvoorschriften van art. 21 SW, naar de waarde in het civiele verkeer.
Toelichting
Als het gaat om de waardering van een legaat ter grootte van 10% van het saldo nalatenschap kiest de HR in zijn arrest van 11 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3491, BNB 2016/54 voor de waardering conform de SW, dus op basis van de WOZ-waarde. De vraag die daar centraal stond is wat is de waarde van het legaat voor de erfbelasting. Derhalve de waardering van de (fiscale) verkrijging. De vraag die hier aan de orde is, betreft de waardering van een schuld van de erflater. In HR 25 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1127, BNB 2009/309 ging de Hoge Raad uit van de waardering op de waarde zoals die tussen partijen in hun civiele verhouding gold (de waarde in het economische verkeer). In haar noot onder het arrest merkt van Vijfeijken op: De hier aan de orde zijnde discrepantie zal zich vanaf 1 januari 2010 vaker WOZ-waarde. Die WOZ-waarde zal op grond van HR 13 december 1995, nr. 29 716, BNB 1996/70c dan ook maatgevend zijn voor de waarde van onderbedelingsvorderingen bij het eerste overlijden. Bij het overlijden van de langstlevende worden de onderbedelingsvorderingen dan echter gewaardeerd naar de werkelijke, civielrechtelijke waarde van die vordering. In het arrest uit 1995 overweegt de HR 3.5. Het is evenwel in overeenstemming met de strekking van artikel 21, lid 4, en de bewoordingen van die bepaling verzetten zich niet ertegen de daar genoemde faciliteit niet te beperken tot de verkrijging van de eigen woning of een aandeel daarin door de in die bepaling genoemde personen, maar die faciliteit tevens van toepassing te achten voor zover de waarde van het verkregene – in dit geval: de overbedelingsvorderingen – van de waarde van de eigen woning op het tijdstip van overlijden van de erflater geheel afhankelijk is. Daaraan kan niet afdoen dat bij het overlijden van de langstlevende de overbedelingsvorderingen in de dan openvallende nalatenschap gewaardeerd worden naar de werkelijke (civielrechtelijke) waarde van die vorderingen. In zoverre is middel I derhalve gegrond, terwijl het voor het overige geen behandeling meer behoeft.
5.1.2d
Het lijkt er sterk op dat het waarderingsvoorschrift van art. 21 alleen ziet op verkrijgingen en niet op schulden van art. 20 SW. De gedachte het verkregene als saldobegrip is op te vatten, zodat het WOZ-waardevoorschrift ook op de schuld zou zien, stuit af op 1) het hiervoor aangehaalde arresten en 2) het feit dat de WOZ-waardering niet alleen in een ander artikel maar ook in een ander hoofdstuk van de wet staat dan de bepaling over schulden.
Voor civiele rechtspraak zie HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2223.
*Vergelijk de situatie waarin de erfgenamen kort na het eerste overlijden de onderbedelingsvorderingen op de hogere WIEV vaststellen. Dat houdt geen gift in omdat het waardevoorschrift uit de SW pas geldt als men de ‘poort van art. 1 SW’ door is. Andersom: wanneer er een lagere vaststelling van de onderbedelingsschulden is (WIEV lager dan de WOZ) en men na het tweede overlijden toch de schuld op de WOZ-waarde stelt, is dat wel reden voor een correctie.
Geef een reactie