1891184

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de berekening van de fictieve verkrijging bij het overlijden van de eerststervende van een echtpaar. Het besluit verduidelijkt dat de pensioenverplichting verandert van twee levens naar één leven, wat invloed heeft op de waardestijging van aandelen en de belastingheffing.

Kennisgroepstandpunt

Art. 13a. Berekening fictieve verkrijging bij een eerstestervende (KGSW16.0017).

Vraag:
Hoe moet de berekening van artikel 13a SW worden gemaakt bij het overlijden van de eerststervende van een echtpaar?

Antwoord:
Bij het overlijden van de eerststervende van een echtpaar daalt de pensioenverplichting op twee levens naar een pensioenverplichting op één leven. Dat is ALTIJD een positief verschil, en dus aanleiding voor de toepassing van artikel 13a SW. De grondslag van artikel 13a is de waardestijging van de aandelen doordat vanwege het overlijden de verplichting van de BV daalt (commerciële waarde pensioenverplichting op twee levens -/- de commerciële waarde pensioenverplichting langstlevende). Dit verschil moet nog worden ‘geschoond’ voor de invloed van de heffing van Vpb.

Beschouwing:
Als aandelen in waarde stijgen door het overlijden van een erflater en de aandelen worden gehouden door een ander dan de erflater, is de fictie van artikel 13a SW van toepassing. Om de vrijval goed te kunnen berekenen heb je zowel de fiscale als de commerciële waarde van de pensioenverplichting op twee levens nodig (dus voor het overlijden) als de fiscale en de commerciële waarde van de pensioenverplichting op één leven (dus na het overlijden).

De commerciële waarde van de pensioenverplichting op één leven blijkt uit de berekening van de waarde van de aandelen. De fiscale waarde van de pensioenverplichting op twee levens en op één leven blijken uit de fiscale jaarstukken en heb je meestal wel, anders moet je deze ook opvragen. Doorloop de volgende stappen:

A) Door de fiscale balansen van direct voor en direct na het overlijden te vergelijken, komt de fiscale vrijval naar voren. De vrijval maal het actuele Vpb-tarief is de direct verschuldigde Vpb ten tijde van de vrijval. Dit vermindert de verkrijging ex artikel 13a.

B) De BV heeft de opbouw van de pensioenverplichting voor de langstlevende slechts voor de fiscale waarde ten laste van de winst mogen brengen. De commerciële waarde van de pensioenverplichting is hoger en het verschil kan in de toekomst (bij het feitelijk voordoen) nog ten laste van de winst worden gebracht. Dat is een fiscaal meevallertje in de (verre) toekomst. Dat heeft een waarde, en de aanname is dat die al zit opgesloten in de waarde van de aandelen. Dat meevallertje verdampt gedeeltelijk door het overlijden van de eerststervende. En daarmee neemt de waarde van de aandelen af. Waar de vrijval een ‘plus’ is, is dit een ‘min’. Deze is te stellen op de contante waarde van de Vpb over de totale (commerciële) vrijval minus de fiscale vrijval. Die contante waarde is niet forfaitair voorgeschreven en wordt door ons geschat op 15%.

C) Tot slot leidt de vrijval van de pensioenverplichting tot een hogere heffing van winst uit aanmerkelijk belang in de toekomst. Over het resterende waardestijging van de aandelen wordt derhalve een latente a.b.claim van 6,25% in mindering gebracht.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *