AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de voortzettingseis bij faillissement van een zustervennootschap en de doorstart door een andere vennootschap. De ruling concludeert dat de beoordeling van de voortzettingseis op het niveau van de fictieve onderneming van Holding X moet plaatsvinden.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Documenttitel: 1891165**
Kantoor Utrecht
Kennisgroep Successiewet
Doorkiesnummer
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum: 8 september 2015
Behandelaar: Belastingdienst/Eindhoven: | 5.1.2e |
Uw kenmerk: Kenmerk KGSW 15.0010
**Betreft:** Successiewet. BOR, voortzettingseis bij faillissement (en doorstart) deelneming
Geachte mevrouw/heer,
Recent hebt u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.
**Vraag**
Met toepassing van de BOR worden twee zustervennootschappen verkregen. Binnen de voortzettingsperiode gaat er één failliet. De andere vennootschap neemt een deel van de activa over en zet dat voort. Is dan sprake van gehele danwel gedeeltelijke staking?
**Casus**
A is enig aandeelhouder van X Holding. Holding X drijft zelf geen onderneming, maar is wel enig aandeelhouder van twee deelnemingen Werk Y BV en Werk Z BV. Deze deelnemingen drijven ieder een onderneming. A schenkt op 1 januari 2012 al zijn aandelen in X Holding aan zijn kind. Op 1 januari 2015 wordt Werk Y BV failliet verklaard. Werk Z BV neemt bedrijfsmiddelen (machines, voorraad, debiteuren) en onderhanden opdrachten van Werk Y BV over, alsmede een deel van de werknemers. De activiteiten van Werk Y BV worden in afgeslankte vorm door Werk Z BV voortgezet. Is hier sprake van een gebeurtenis als bedoeld in art. 35e, eerste lid, onderdeel c, ten derde, Successiewet 1956, met name: houdt het lichaam waar de verkregen vermogensbestanddelen betrekking op hebben, op uit de onderneming of een gedeelte daarvan winst te genieten?
**Antwoord**
Holding X drijft, door toepassing van de toerekenregel van art. 35c, vijfde lid, SW, een onderneming. Deze fictieve BOR-onderneming bestaat uit de combinatie van de twee feitelijke ondernemingen van Werk Y BV en Werk Z BV. Of er is voldaan aan de voortzettingseis wordt op het niveau van de fictieve onderneming van Holding X bezien. Of het overnemen van bedrijfsmiddelen (machines, voorraad, debiteuren) en onderhanden opdrachten een gedeeltelijke staking is, danwel een gehele staking, kan het best door de lokale IB inspecteur worden beoordeeld.
Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
**Bezoekadres**
In uw antwoord datum en kenmerk van deze brief vermelden
Orteliuslaan 1000
Utrecht – Papendorp
Geef een reactie