AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de verjaringstermijn voor het opleggen van een aanslag erfbelasting in het kader van de legitieme portie. De ruling concludeert dat deze termijn drie jaar bedraagt na het inroepen van de legitieme portie.
Kennisgroepstandpunt
Verjaring bij legitieme portie (KGSW 14.0023).
**Vraag:**
Wanneer verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een aanslag erfbelasting vanwege een beroep op de legitieme?
**Antwoord:**
In principe verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van de aanslag drie jaar na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand. Omdat een beroep op de legitieme portie onder de noemer ‘wilsrecht’ uit art. 45 lid 3 SW valt, gaan de termijnen van art. 11 AWR en art. 16 AWR pas lopen bij een beroep op de legitieme. De mogelijkheid tot opleggen van de aanslag verjaart drie jaar nadat een beroep is gedaan op de legitieme portie.
**Beschouwing**
Wanneer iemand overlijdt, moet de legitimaris binnen een redelijk gestelde termijn maar uiterlijk binnen vijf jaar na overlijden van de erflater een beroep doen op de legitieme portie (4:85 lid 1 BW). De legitieme is in beginsel pas opeisbaar zes maanden na overlijden van de erflater (art. 4:81 lid 1 BW). De mogelijkheid om een aanslag op te leggen verjaart drie jaar na de dag van inschrijving van de akte van overlijden in de registers van de burgerlijke stand (art. 66 lid 1 sub 1 SW jo art. 11 lid 3 AWR). De termijn van drie jaar wordt verlengd met de termijn waarvoor uitstel tot het doen van aangifte is verkregen (art. 11 lid 3 AWR). Een en ander met dien verstande dat in de situaties van art. 45 lid 2 en 3 SW de termijnen niet eerder beginnen te lopen dan vanaf de dag waarop de termijn van aangifte ingaat. Bij navordering bedraagt de verjaringstermijn respectievelijk vijf of twaalf jaar (art. 16 lid 3 en 4 AWR).
**Vermindering en aangifte**
Art. 45 SW geeft de termijn waarbinnen de aangifte erfbelasting moet worden gedaan maar ook wanneer de termijn niet loopt. Indien sprake is van art. 45 lid 2 of 3 SW dan zal de termijn voor het opleggen van de aanslag erfbelasting beginnen te lopen op het moment dat de termijn voor het indienen van een dergelijke aangifte geldt. Wanneer de aanslag reeds is opgelegd als een beroep op de legitieme portie gedaan wordt, kan op grond van art. 53 lid 1 SW vermindering van de aanslag worden verleend. De vermindering wordt verleend op een verzoek dat gedaan wordt door middel van aangifte (art. 53 lid 5 SW).
Als de oorzaak tot vermindering aanleiding geeft tot heffing van belasting kan genoemde aangifte opgenomen worden in de krachtens art. 45 lid 3 SW in te dienen aangifte. De termijn van acht maanden gaat in op de dag waarop een van de gebeurtenissen plaatsvindt zoals bijvoorbeeld “de uitoefening van een wilsrecht voortvloeiende uit ten sterfdage of ten tijde van de verkrijging bestaande of ontstane rechtsverhoudingen” (art. 45 lid 3 SW).
Er wordt in art. 45 lid 3 SW echter niet letterlijk over de legitieme portie gerept. Mijns inziens moet onder de in art. 45 lid 3 SW genoemde voorbeelden, gezien de parlementaire geschiedenis, ook het inroepen van de legitieme portie worden verstaan.
**Voorbeeld**
Beroep op legitieme portie binnen vijf jaar maar een week voor het einde van verstrijken van de civiele termijn in het geval dat nog geen aanslag opgelegd is. In dit geval wordt een beroep op de legitieme portie gedaan vijf jaar na overlijden van de erflater maar een week voor het einde van verstrijken van de civiele termijn. Er is nog geen aanslag voor de overige erfgenamen opgelegd maar er is wel uitstel verleend. Dit uitstel is echter alleen aan de overige erven verleend.
Als een legitimaris een beroep doet op de legitieme portie een week voor het verstrijken van de civiele termijn, zal dit niet direct bij ons bekend zijn. Veelal zal de legitimaris zich eerst bij de notaris en de overige erfgenamen melden. Voordat dit bij ons bekend is, kunnen we zomaar een half jaar verder zijn. Is de termijn voor het opleggen van de aanslag in die situatie al verstreken? Voor de overige erfgenamen geldt de hoofdregel dat de aangiftetermijn is opgerekt door het uitstel. Dit geldt zoals gezegd niet voor de legitimaris. Omdat pas in jaar vijf een beroep op legitieme is gedaan, zal de termijn van acht maanden voor het indienen van de aangifte voor de legitimaris mijns inziens gaan lopen op het moment dat een beroep gedaan wordt op de legitieme (art. 45 lid 3 SW).
Zoals gezegd wordt dit niet een op een duidelijk uit de wet. Uit de wetsgeschiedenis zou je echter kunnen afleiden dat de termijn gaat lopen na het inroepen. In de Memorie van Toelichting bij de tweede kamerstukken uit 1948 staat namelijk het volgende: “(…) men denke hier b.v. aan de mogelijkheid tot instelling van een rechtsvordering, een bevoegdheid tot het inroepen van een wettelijk erfdeel, en dergelijke ‘wilsrechten’. De geldende Successiewet kent in vele gevallen de mogelijkheid om tot herziening van de oorspronkelijke rechtsberekening over te gaan, indien door een gebeurtenis na het overlijden aan de erfgenamen de vermogensrechtelijke voordelen van de uitoefening van een aanspraak als evenbedoeld alsnog toevallen, doch spreekt niet op voldoende duidelijke wijze een algemeen beginsel uit. Door verduidelijking van de tot dusver geldende regeling wordt thans, beter dan tot dusver het geval was, in de wet tot uitdrukking gebracht, dat de heffing van het successierecht zich richt naar hetgeen uiteindelijk als gevolg van de erfrechtelijke overgang wordt verkregen (vgl. nader ad artikelen 45 en 53 van het ontwerp).”
De hoofdregel wordt dan aanslag opleggen. De mogelijkheid tot het opleggen van een aanslag zal in dit geval verjaren drie jaar na het moment dat een beroep op de legitieme portie is gedaan (art. 66 lid 1 SW). Zouden hier problemen uit voorkomen dan kan de aanslag geconverteerd worden in een navorderingsaanslag. In dit geval is er altijd een nieuw feit (art. 16 lid 1 AWR) waardoor in deze situatie de termijn voor de navordering nog niet verstreken is.
Geef een reactie