AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of artikel 15 SW 1956 van toepassing is op vorderingen die ontstaan uit een niet uitgevoerd Amsterdams Verrekenbeding. Het besluit concludeert dat deze vorderingen niet onder de definitie van geldlening vallen zoals bedoeld in artikel 15 SW 1956.
Kennisgroepstandpunt
1891154
Kenmerk 1
14.0013: AVB en artikel 15 SW 1956
Kantoor Utrecht
Kennisgroep Successiewet
Doorkiesnummer
Fax: 088 — 152 76 89
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum
concept
Behandelaar
Uw kenmerk
Kenmerk Per email KGSW 14.0013
Betreft
Niet uitgevoerd periodiek Amsterdams Verrekenbeding (AVB) en artikel 15 SW 1956.
Geachte mevrouw/heer,
Recent heeft u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.
Vraag
Is artikel 15 SW 1956 (fictieve schenking indien geen rente is betaald over de geldleen) van toepassing op de vordering die ontstaat doordat echtelieden aan het eind van het jaar geen uitvoering hebben gegeven aan het AVB?
Antwoord
De vordering die op grond van een niet uitgevoerd Amsterdams Verrekenbeding ontstaat, valt niet onder de reikwijdte van artikel 15 SW 1956. Artikel 15 SW 1956 heeft het uitdrukkelijk over een geldlening. De vordering uit een niet uitgevoerd verrekenbeding is nog geen geldlening maar een verbintenis tot betaling van een geldsom.
Beschouwing
Vooropgesteld: Uit wordt gegaan van het standpunt dat er een vordering wegens het niet verrekenen ontstaat!
Verbintenis tot betaling van een geldsom; boek 6 BW
De vordering die – wegens niet verrekening – ontstaat, is een verbintenis tot betaling van een geldsom. Bij verbintenissen zit men in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 15 SW 1956 heeft het daarentegen niet over verbintenissen tot betaling van een geldsom maar over een geldlening.
1 Neemt men het standpunt in dat er geen vordering ontstaat, dan komt men helemaal niet toe aan de vraag of artikel 15 SW 1956 een rol zou kunnen spelen. In de civielrechtelijke literatuur neemt men het standpunt in dat er jaarlijks een vordering ontstaat. Zie bijvoorbeeld prof. mr. M.J.A. van Mourik in Huwelijksvermogensrecht, Monografieën Privaatrecht, nr. 12, 2013/100: “In de praktijk van alledag pleegt het verrekenbeding niet te worden nageleefd. Daadwerkelijke verrekening staat niet op de nieuwjaarsagenda van de echtgenoten. Een drama is dat niet gegeven het feit dat jaarlijks wel een vordering ontstaat. Het probleem is dat de omvang van die vordering niet wordt vastgesteld. In WPNR 1993/6112 schrijft Van Mourik: “In geval een vervaltermijn ontbreekt, doet het er niet toe wanneer die vordering is ontstaan. De vorderingen die uit het verrekenbeding voortspruiten, ontstaan bij een periodiek verrekenbeding door het enkele verloop van de periode. Daaraan doet niet af dat voor de exacte vaststelling meestal nog enige rekenkundige werkzaamheden moeten worden verricht.”
Kenmerk 2
Geldlening en verbruiklening; boek 7 BW
Verbruiklening is de overeenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, aan de andere partij, de uitlener, een bepaalde hoeveelheid vervangbare goederen afstaat, onder de verplichting dat laatstgenoemde op een later tijdstip een gelijke hoeveelheid van dezelfde soort zal teruggeven. De lening van geld is de lening van een geldsom. Hoe transformeert men nu bovengenoemde verbintenis tot betaling van een geldsom (Boek 6 BW) in de lening van geld (Boek 7 BW) opdat men aan artikel 15 SW 1956 toe kan komen?
Direct moet geconstateerd worden dat met het ontstaan van een vordering niet is voldaan aan de definitie van verbruiklening / geldlening. Immers voor verbruiklening is het nu juist nodig dat de ene partij vervangbare goederen afstaat aan de andere partij. Dat is nu juist niet gebeurd bij het ontstaan van de vordering (wegens het niet verrekenen). Er is, bij het ontstaan van de vordering, geen goed overgegaan van de ene partij naar de andere partij.
Wat wel kan, is dat er een overeenkomst tussen partijen bestaat houdende het feit dat partijen de ontstane vordering omzetten in een geldleningovereenkomst. Een voorbeeld van een dergelijke overeenkomst is de novatio / schuldvernieuwing op basis van artikel 6:160 BW. Een voorbeeld van schuldvernieuwing: koop, verkoop en levering van een pand waarbij de koopsom schuldig wordt gebleven waarbij vervolgens de titel koop wordt omgezet in die van geldlening.
Uitwerking op niet uitgevoerd AVB
Uit het bovenstaande blijkt dat er een transformatie moet plaatsvinden van een verbintenis tot betaling van een geldsom in die van geldlening. Hoe kan men een dergelijke transformatie constateren? Dat zou makkelijk kunnen indien partijen zelf aan de inspecteur mededelen dat een dergelijke transformatie heeft plaatsgevonden en dat er een geldleningovereenkomst bestaat die én direct opeisbaar is én renteloos is, waardoor men aan artikel 15 SW 1956 toe kan komen.
Een dergelijke constatering is een utopie. Veelal staan partijen er niet bij stil dat er verrekend had moeten worden. En in het geval dat ze wel hadden verrekend en over zijn gegaan tot een geldleningovereenkomst, is de lening vrijwel vaak niet direct opeisbaar (daar alles in stenen zit of in een onderneming) en rentedragend.
Overeenkomsten kunnen ook op grond van gedragingen ontstaan. Om nu een direct opeisbare, renteloze geldlening op grond van artikel 15 SW 1956 te kunnen komen, zou men kunnen komen indien de verbintenis tot betaling van een geldsom genoveerd is in die van geldlening waarbij ook nog eens geldt dat de lening direct opeisbaar en renteloos is.
Hoogachtend,
Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
De Staatssecretaris zelf lijkt een soepelere houding aan te nemen inzake wat nu een lening is en wat nu een vordering. Tijdens de parlementaire behandeling van artikel 15 SW 1956 heeft de Staatssecretaris al een fiscale definitie van de term geldlening gegeven. In de Nota n.a.v. het verslag d.d. 21 augustus 2010, artikel I, onderdeel N wordt opgemerkt: “Het voorgestelde artikel 15 is ruim geformuleerd. Dit heeft tot gevolg dat alle geldleningen die direct opeisbaar zijn en waarover geen of een te lage rente is afgesproken onder de toepassing van dit artikel kunnen vallen. Volledigheidshalve geef ik aan dat onder een geldlening alle in een geldsom uitgedrukte vorderingen van een schuldeiser wordt verstaan.” Aan moet genomen worden dat de Staatssecretaris niet de bedoeling heeft gehad om niet uitgevoerde periodieke verrekenbedingen onder de werking van artikel 15 SW 1956 te laten vallen.
Geef een reactie