1865571

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de bezittingen van een belastingplichtige, die voornamelijk bestaan uit indirecte belangen in vastgoeddeelnemingen, als beleggingen kwalificeren onder artikel 20a lid 4 van de Wet VPB. De ruling concludeert dat deze bezittingen grotendeels als beleggingen worden aangemerkt, waardoor artikel 20a van toepassing is.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Documenttitel: 1865571**

**Aan**
Van kennisgroep Bijzondere Winstbepalingen Vpb
**Betreft** Beleggingsbegrip artikel 20a lid bij houdstervennootschappen
**Datum** 11 januari 2017
2e GO West

**VRAAG**
Bestaan de bezittingen van belastingplichtige grotendeels uit beleggingen zoals genoemd in artikel 20a lid aanhef Wet VPB indien de bezittingen louter bestaan uit indirecte belangen in vastgoeddeelnemingen en vorderingen op die deelnemingen?

**ANTWOORD**
Of een deelneming ter belegging wordt gehouden hangt af van de functie die de deelneming voor de belastingplichtige heeft. Indien de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij is geen sprake van een belegging. Indien de deelneming niet zo'n functie binnen de onderneming van de actieve houdstermaatschappij vervult, is sprake van een belegging. Nu deze relatie ontbreekt, is de kennisgroep van mening dat de belastingplichtige de vastgoeddeelnemingen louter ter belegging houdt. Voor een vordering geldt hetzelfde. Ook in dit verband is het van belang om de functie van de bezitting in ogenschouw te nemen. Kortom, de bezittingen van belastingplichtige bestaan grotendeels uit beleggingen. Artikel 20a vindt toepassing.

**TOELICHTING**

**FEITEN**
Belastingplichtige Top tussenhoudster NL maakt onderdeel uit van een concern waarbij de topholding in [GEANONIMISEERD] gevestigd. De structuur van het concern is als volgt:
Topholding
[GEANONIMISEERD]
Top tussenhoudster NL
Vastgoeddeelnemingen
Tussenhoudster NL
Vastgoeddeelnemingen

De Nederlandse top tussenhoudster heeft belangen in Nederlandse en buitenlandse deelnemingen. De Nederlandse deelnemingen zijn op hun beurt allemaal tussenhoudsters die beleggen in vastgoeddeelnemingen. De buitenlandse deelnemingen zijn allemaal vastgoeddeelnemingen. De Nederlandse top tussenhoudster heeft deelnemingen en vorderingen op hierboven genoemde deelnemingen. De top tussenhoudster verricht managementwerkzaamheden voor haar deelnemingen in de tussenhoudsters en twee vennootschappen waar haar [GEANONIMISEERD] een rechtstreeks aandelenbelang in heeft. Zij verricht geen managementwerkzaamheden voor andere niet-gelieerde partijen. De Nederlandse tussenhoudsters houden voor zover te zien alleen aandelenbelangen in en vorderingen op de vastgoeddeelnemingen. De Nederlandse tussenhoudsters verrichten zelf geen managementwerkzaamheden voor de vastgoeddeelnemingen en ook niet voor anderen. De vastgoeddeelnemingen houden zich alleen bezig met de exploitatie verhuur van vastgoed. Beoordeeld wordt of de aandelen in de Nederlandse tussenhoudsters en vastgoeddeelnemingen en de verstrekte vorderingen kwalificeren als belegging. De casus is feitelijk van aard.

**Beschouwing**
Artikel 20a lid Vpb aanhef luidt: de bezittingen van de belastingplichtige ten minste negen maanden niet grotendeels uit beleggingen bestonden, mits. De beleggingstoets wordt toegepast op het niveau van belastingplichtige. In casu houdt deze vastgoeddeelnemingen en vorderingen op die deelnemingen. Van belang is om te kijken naar de activa van de belastingplichtige en de functie van die activa voor de belastingplichtige. In de parlementaire geschiedenis is een toelichting gegeven op het beleggingsbegrip. Hierbij zijn twee passages van belang:
Beleggingen zijn bezittingen die geen functie vervullen in de uitoefening van een onderneming maar die worden aangehouden met oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal actief vermogensbeheer mag worden verwacht. In de situatie van de actieve houdstermaatschappij kunnen er echter ook bezittingen waaronder deelnemingen zijn die een belegging vormen. Dat hangt af van de functie die de bezittingen vervullen. Indien de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij is geen sprake van een belegging. Indien de deelneming niet zo'n functie binnen de onderneming van de actieve houdstermaatschappij vervult, is sprake van een belegging. (MvT Kamerstukken II 1999-2000, 27 209 nr. 54)

De vraag die nu beantwoord dient te worden is of de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij.

In casu voert de belastingplichtige naast het houden en financieren van deelnemingen het management van de tussenhoudsters. Belastingplichtige verricht geen andere relevante activiteiten. Het lijkt erop dat men die activiteiten verricht in het kader van het actief houden van de betreffende deelnemingen. De deelnemingen die worden aangehouden door de Nederlandse top tussenhoudster verrichten geen bedrijfsactiviteiten die een relatie hebben met de managementactiviteiten die de top tussenhoudster verricht in haar actieve bedrijfsuitoefening. Op basis van de verstrekte informatie in deze casus houden de vastgoeddeelnemingen zich bezig met de passieve verhuur van onroerend goed. De normale verhuur van vastgoed wordt conform beleid als beleggen aangemerkt. Zie hiervoor onder andere het besluit van 25 februari 2015 nr. BLKB2015 211M.

**Beleggingstoets en verhuur van onroerende zaak aan een verbonden lichaam**
In artikel 20a vierde lid is de zogenoemde beleggingstoets opgenomen. Als belegging wordt ook aangemerkt de verhuur van onroerende zaken aan een niet-verbonden lichaam als bedoeld in artikel 10a vierde lid van de Wet Vpb, artikel 20a achtste lid onderdeel. Hieruit volgt overigens niet dat bij de verhuur aan een verbonden lichaam geen sprake is van een belegging. Vaak zijn binnen een concern de onroerende zaken ondergebracht in een zelfstandige vennootschap die deze verhuurt aan een verbonden werkmaatschappij. Een onroerende zaak die passief wordt verhuurd zal kwalificeren als belegging. Verhuur kan echter ook plaatsvinden in het kader van een onderneming. De feitelijke omstandigheden zijn bepalend of sprake is van een belegging dan wel van een onderneming. Net als bij de werkzaamhedentoets vindt de beleggingstoets plaats op het niveau van de belastingplichtige en niet op concernniveau. Bij een fiscale eenheid vindt de beleggingstoets plaats op het niveau van de fiscale eenheid.

Besluit Staatssecretaris van Financiën van 25 februari 2015 nr. BLKB2015 211M, Stcrt 2015 6463, 2015 20 16. De vastgoeddeelnemingen drijven dus geen onderneming. De kennisgroep ziet geen functieverschil tussen het direct houden van vastgoed en het houden van vastgoed middels een vastgoed BV. De Nederlandse tussenhoudsters hebben alleen aandelenbelangen in vastgoeddeelnemingen en vorderingen op die vastgoeddeelnemingen en drijven geen materiële onderneming. Aangezien de Nederlandse tussenhoudsters naast het houden van hun belangen in de vastgoeddeelnemingen geen ondernemingsactiviteiten uitoefenen, is ook bij de tussenhoudsters sprake van beleggen en niet van ondernemen. De Nederlandse top tussenhoudster bemoeit zich ook niet met de bedrijfsuitoefening van de deelnemingen, want die bedrijfsuitoefening, het drijven van een materiële onderneming, is niet aanwezig. De deelnemingen die fungeren als tussenhoudster verrichten geen managementactiviteiten voor onderliggende vastgoeddeelnemingen. Zij houden slechts passief een aandelenbelang in BV’s die louter beleggen. Aangezien bij de deelnemingen geen bedrijfsactiviteit, want geen materiële onderneming, wordt waargenomen, is er geen verband aanwezig. Indien er sprake is van een extreme financiering van de deelnemingen kan er sprake zijn van meer dan normaal vermogensbeheer. In deze casus is geen extreme financiering aan de orde. Wij hebben dit punt daarom niet nader uitgewerkt.

**Stelling adviseur**
De adviseur stelt dat er sprake is van het streven om een rendement te behalen dat uitgaat boven hetgeen te verwachten is bij normaal vermogensbeheer. De adviseur komt alleen met algemeenheden waaruit een onderbouwing zou zijn te halen. Hij maakt zijn stelling echter niet aannemelijk. Voor de volledigheid besteden wij er enige aandacht aan. Allereerst wijst de adviseur op bemoeienis met de portfolio. Het is onduidelijk wat hij hier precies mee bedoelt. Een natuurlijk persoon die belegt houdt zijn beleggingsportefeuille ook in de gaten en verkoopt bijvoorbeeld aandelen in [GEANONIMISEERD] om met de vrijgekomen gelden aandelen [GEANONIMISEERD] te kopen. De adviseur geeft geen verdere onderbouwing of informatie van de vermeende bemoeienis en hierover is ook niet direct iets terug te vinden in de jaarrekeningen. Wij vinden dit onvoldoende. Verder stelt de adviseur dat er een gedegen investeringsstrategie is. Ik weet niet wat de adviseur hier precies mee wilt aangeven. Echter praktisch elke belegger heeft een investeringsstrategie. Het hebben van een gedegen investeringsstrategie is nog niet voldoende om te stellen dat er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer. Op basis van de verstrekte informatie wijst nog niets op ondernemingsactiviteiten die ertoe zouden leiden dat er sprake is van meer dan normaal vermogensbeheer.

**Vorderingen op deelnemingen**
Ook met betrekking tot vorderingen is van belang om te bepalen wat de functie is van deze bezittingen. Het beoordelingskader is gelijk aan hetgeen hiervoor is beschreven ten aanzien van deelnemingen. Een vordering is in beginsel een belegging. Dit is anders als de vordering kenmerken heeft die afwijken van hetgeen een belegger overeen zou komen en die een direct verband houden met de bedrijfsvoering van de belastingplichtige. Het enkel verstrekken van een vordering aan een deelneming is onvoldoende.

**Bijlage Wetsgeschiedenis**
“In de praktijk is echter gebleken dat de huidige regeling artikel 20 vijfde lid Vpb op een aantal punten tekort schiet. Zo is de regeling niet van toepassing indien de belastingplichtige geen materiële onderneming heeft gedreven maar zich heeft beziggehouden met beleggingen. In die situatie zijn de verliezen ondanks een wisseling van aandeelhouders onder de huidige wetgeving volledig verrekenbaar. Kenmerk van beleggen is echter dat opbrensten worden behaald met activa die niet bedrijfsaangebonden zijn en eenvoudig kunnen worden vervangen door andere activa. Indien de aandelen in een dergelijke vennootschap worden verworven, zal het de aandeelhouder niet zozeer doen zijn om de specifieke activa van deze vennootschap, maar juist om de mogelijkheid om de nog openstaande verliezen te compenseren. Bij beleggen gaan de activiteiten in het algemeen niet uit boven normaal vermogensbeheer. Voorbeelden van beleggingen zijn aandelen die ter beurs zijn genoteerd, uitstaande deposito’s en obligaties en onroerende zaken die geen band hebben met de materiële onderneming van de belastingplichtige maar worden aangehouden voor de huuropbrengst dan wel de vervreemdingswinst. Als verliezen niet meer tot verrekening zouden worden toegelaten, zal er in het algemeen geen sprake zijn van een situatie waarin als gevolg van het beëindigen van de activiteiten een organisatie verloren gaat waarvan de waarde groter is dan de marktwaarde van de beleggingsobjecten zelf. Ook zal er geen sprake zijn van een verlies aan werkgelegenheid.”
Tweede Kamer vergaderjaar 1999-2000, 27 209 nr. 11 en 12.
“Beleggingen zijn bezittingen die een functie vervullen in de uitoefening van een onderneming maar die worden aangehouden met oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal actief vermogensbeheer mag worden verwacht. Bij een zuiver passieve holding is het mogelijk dat de aandelen in een actieve dochtermaatschappij een belegging vormen, ongeacht of het pakket aandelen een deelneming vormt in de zin van artikel 13 tweede lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In de situatie van de actieve houdstermaatschappij kunnen er echter ook bezittingen waaronder deelnemingen zijn die een belegging vormen. Dat hangt af van de functie die de bezittingen vervullen. Indien de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij is geen sprake van een belegging. Indien de deelneming niet zo'n functie binnen de onderneming van de actieve houdstermaatschappij vervult, is sprake van een belegging.”
(MvT Kamerstukken II 1999-2000, 27 209 nr. 54)
De leden van de VVD-fractie vragen hoe het beleggingscriterium moet worden uitgelegd bij holdingmaatschappijen. Daarbij vragen zij hoe dat criterium uitwerkt bij een passieve holding met een actieve dochtermaatschappij respectievelijk bij een actieve moedermaatschappij met een dochtermaatschappij waarvan het vermogen voor een belangrijk deel uit beleggingen bestaat. Beleggingen zijn bezittingen die geen functie vervullen in de uitoefening van een onderneming maar die worden aangehouden met oog op het verkrijgen van rendement dat bij normaal actief vermogensbeheer mag worden verwacht. Bij een zuiver passieve holding is het mogelijk dat de aandelen in een actieve dochtermaatschappij een belegging vormen, ongeacht of het pakket aandelen een deelneming vormt in de zin van artikel 13 tweede lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. In de situatie van de actieve houdstermaatschappij kunnen er echter ook bezittingen waaronder deelnemingen zijn die een belegging vormen. Dat hangt af van de functie die de bezittingen vervullen. Indien de deelneming wordt aangehouden in verband met de relatie tussen de eigen bedrijfsuitoefening en de bedrijfsactiviteit van de dochtermaatschappij is geen sprake van een belegging. Indien de deelneming niet zo'n functie binnen de onderneming van de actieve houdstermaatschappij vervult, is sprake van een belegging.”
(NV Kamerstukken II 2000-01, 27 209 nr. 41-42)

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *