1857719

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de toepassing van de buitengaatsbepaling in het verdrag tussen Nederland en Duitsland. Het besluit bevestigt dat Nederland heffingsrechten heeft over activiteiten die plaatsvinden op de Nederlandse zeebodem, mits deze voldoen aan de voorwaarden van het verdrag.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Vraag 19 39**
Toepassing buitengaatsbepaling Verdrag Nederland Duitsland
Het betreft een situatie voor de kust in Nederland waarbij een Duits bedrijf vanaf het land activiteiten inbrengt.

In de onderhavige casus is sprake van de onderstaande feiten.

**Uitwerking**
Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag is het feit dat de werkzaamheden niet langer dan 12 maanden duren. Mocht dat wel het geval zijn, dan is in elk geval sprake van een vaste inrichting in de zin van art. 17.

Indien uitgegaan wordt van een activiteit op land van een tijdsduur van minder dan 12 maanden en van het feit dat sprake is van de uitvoering van een werk, dan heeft Nederland op grond van art. [GEANONIMISEERD] van het verdrag Nederland-Duitsland geen heffingsrechten.

Is de casus hiermee afgelopen?
Nee.
Art. 17a letter luidt als volgt:
Tot een Nederlandse onderneming worden gerekend werkzaamheden die gedurende een aaneengeschakelde periode van tenminste 30 dagen in, op of boven het Noordzeewinningsgebied worden verricht. Het Noordzeewinningsgebied bestaat uit de territoriale zee van Nederland alsmede het buiten de territoriale zee onder de Noordzee gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, voor zover het Koninkrijk der Nederlanden daar op grond van het internationale recht rechten mag uitoefenen.

Dit betreft de zogenaamde buitengaatsbepaling, op grond waarvan Nederland haar nationale heffingsbevoegdheid uitgebreid heeft en ook kortdurende activiteiten in de belastingheffing kan betrekken. Voorwaarde is dat deze plaatsvinden in, op of boven de relevante zeebodem.

In relatie tot Duitsland kan Nederland haar nationale heffingsrecht werkzaamheden buitengaats uitoefenen indien voldaan is aan de voorwaarden van art. [GEANONIMISEERD] van het verdrag. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid, wordt een onderneming van een verdragsluitende staat die werkzaamheden uitoefent in de territoriale zee en elk gebied buiten de territoriale zee waar de andere verdragsluitende staat in overeenstemming met het internationale recht rechtsmacht of soevereine rechten uitoefent, werkzaamheden buitengaats geacht ter zake van die werkzaamheden, behoudens met betrekking tot artikel 14 tweede lid, in de andere staat een bedrijf uit te oefenen door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting, tenzij de werkzaamheden in kwestie in de andere staat worden verricht gedurende een tijdvak dat of tijdvakken die in een tijdvak van twaalf maanden in totaal minder dan 30 dagen voortduurt of voortduren.

Er lijkt een zekere discrepantie te bestaan tussen de woorden "in, op of boven het Noordzeewinningsgebied" in de nationale wet en de woorden "in de territoriale zee" in de Duitse tekst van de verdragstekst. In de memorie van toelichting is hier niets over terug te vinden. De bepaling is er op gericht de uitbreiding van de Nederlandse heffingsbevoegdheden ook bilateraal uit te kunnen oefenen.

Nederlandse belastingheffing is op grond van de wet en regelgeving bovendien mogelijk over alle activiteiten die worden verricht in, op of boven het Noordzeewinningsgebied. Om het nationale heffingsrecht over werkzaamheden buitengaats ook onder belastingverdragen te kunnen effectueren, wordt gestreefd naar opname van een bepaling in verdragen op grond waarvan Nederland via een uitbreiding van het begrip "vaste inrichting" het heffingsrecht mag uitoefenen over winst behaald met werkzaamheden buitengaats die verband houden met de opsporing en winning van natuurlijke rijkdommen op het continentale plat, met inbegrip van alle activiteiten die worden verricht in, op of boven het Noordzeewinningsgebied, bijvoorbeeld de exploitatie aldaar van windmolenparken indien deze werkzaamheden 30 dagen of langer in beslag nemen.

In de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 is neergelegd dat Nederland in nieuwe belastingverdragen niet meer streeft naar een afzonderlijk artikel voor werkzaamheden buitengaats dat tevens ziet op het loon van werknemers die voor buitenlandse ondernemingen werken in, op of boven het Noordzeewinningsgebied, maar dat wordt gestreefd naar een uitbreiding van het begrip "vaste inrichting" alleen met het oog op de belastingheffing over de met werkzaamheden buitengaats behaalde ondernemingswinsten. In artikel [GEANONIMISEERD] van het Verdrag is derhalve in lijn met dit nieuwe Nederlandse verdragsbeleid voorzien in een uitbreiding van het vaste inrichting begrip in aansluiting op de Nederlandse wet en regelgeving zoals deze hiervoor is beschreven.

Het lijkt er dus op dat Nederland met de opname van art. [GEANONIMISEERD] in het verdrag met Duitsland ervan uitgegaan is dat het alle nationale heffingsbevoegdheden die Nederland heeft op basis van haar nationale wet, activiteiten in of boven de zeebodem kan uitoefenen. Deze vraag moet beantwoord worden.

Daaraan vooraf gaat de vraag die ook beantwoording behoeft of een activiteit die fysiek geheel plaatsvindt vanaf land maar zich uitstrekt tot onder de zeebodem onder de reikwijdte van art. 17a letter valt. Deze vraag lijkt een zekere parallel te hebben met de vraag of activiteiten die plaatsvinden vanuit een staat zonder dat sprake is van enige personele aanwezigheid ter plaatse in staat tot een vaste inrichting in die staat kunnen leiden. Dit lijkt het geval te zijn. Automatische apparatuur (par. 41 OESO commentaar 2017) en servers (par. 125 OESO commentaar 2017) kunnen, mits voldaan wordt aan de overige voorwaarden, tot een vaste inrichting leiden. Ook een pijpleiding die door het grondgebied van een staat loopt kan kwalificeren als vaste inrichting. Wat de nationale wetgever precies voor ogen heeft gestaan op dit punt, de toepassing van art. 17a letter, is niet geheel duidelijk, maar de conclusie dat onder werkzaamheid alleen een fysieke activiteit van personen verstaan wordt, lijkt niet logisch. Er zou dan een merkwaardig onderscheid ontstaan tussen bijvoorbeeld vanaf land bediende robotmachines die op de zeebodem actief zijn versus vanaf een schip bediende robotmachines.

Het begrip werkzaamheid zoals gehanteerd in bepalingen in de diverse verdragen. Ziet dit begrip op elke werkzaamheid, geheel los van het begrip vaste inrichting, of is alleen bedoeld de gewone vaste inrichting? Het tijdscriterium aan te passen. Uit de memorie van toelichting bij de invoering van de nationale heffingsbevoegdheid op het continentale plat lijkt afgeleid te kunnen worden dat de wetgever hierbij het vaste inrichtingsbegrip als zodanig losgelaten heeft. Bij de toepassing van de bepaling wordt niet vereist dat er sprake is van een kantoor of dergelijks; voldoende is dat er sprake is van werkzaamheden. Hierbij dient evenwel bedacht te worden dat de uitbreiding van de fiscale jurisdictie beperkt is tot de zeebodem en de ondergrond van het continentale plat, alsmede tot de in, op of boven dat gebied aanwezige installaties en andere inrichtingen. Nu, zoals bij de toelichting op Artikel [GEANONIMISEERD] is opgemerkt, het begrip installaties en andere inrichtingen ruim dient te worden geïnterpreteerd, zullen de werkzaamheden op het plat als bedoeld in de bepaling in de praktijk altijd via dergelijke installaties en inrichtingen plaatsvinden, zodat voor werkzaamheden die aan de gestelde termijn voldoen sprake zal zijn van belastingplicht in Nederland. Voorts behoeven deze werkzaamheden niet plaatsgebonden te zijn (MvT Wet van 13 december 1989, Stb. 554, Kamerstukken 1987-88, 20 603, nr. biz 12-13).

De wetgever heeft dus ook het locatievereiste van de vaste inrichting losgelaten, zodat voor de toepassing van art. 17a letter alleen vereist is dat er een ondernemingsactiviteit is die plaatsvindt in, op of boven de zeebodem.

**Conclusie**
Op basis van de bovenstaande analyse kom ik tot de volgende antwoorden:
Het deel van de activiteiten zoals onder de feiten aangegeven dat plaatsvindt in de Nederlandse zeebodem valt onder de werking van art. 17a letter Wet VpB. Nederland heeft op grond van art. [GEANONIMISEERD] van het verdrag Nederland-Duitsland heffingsrechten over deze activiteiten. Ik kom tot de conclusie dat de letterlijke interpretatie van het woord "in" in het vierde lid de verdragsluitende partijen niet als zodanig voor ogen gestaan heeft. In Duitse publicaties heb ik daarover niets aangetroffen. Opvallend is ook dat in art. [GEANONIMISEERD] de anti-ontgaansbepaling het samenvoegen van termijnen in de Nederlandse versie het woord "buitengaats" gebruikt wordt en in de Duitse versie "vor der Küste". Een andere term dus dan in het vierde lid. Tevens moet opgemerkt worden dat de buitengaatsbepaling in art. [GEANONIMISEERD] van het verdrag niet doorwerkt naar art. 14 lid van het verdrag.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *