AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of KDBV zelfstandig belastingplichtig wordt na ontvoeging uit de fiscale eenheid met THBV. De ruling concludeert dat, ondanks de letterlijke tekst van de wet, de fiscale eenheid tussen THBV en KDBV kan bestaan zonder dat er meerdere perioden van zelfstandige belastingplicht ontstaan.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
**Beantwoording vraag kennisgroep Fusies en Fiscale Eenheid**
**Nummer vraag:** 20320032
**Datum:** 15 december 2020
**Verkorte omschrijving vraag**
KD BV maakt op januari 2020 onderdeel uit van een fiscale eenheid met BV als moedermaatschappij. De aandelen in KD BV worden via TH BV gehouden door BV. Op [GEANONIMISEERD] worden de aandelen in TH BV verkocht aan een derde. Als gevolg van deze verkoop ontvoegt de gehele fiscale eenheid. Op [GEANONIMISEERD] direct aansluitend na de verkoop wordt een nieuwe fiscale eenheid gevormd met TH BV als moeder en onder andere KD BV als dochtermaatschappij. KD BV wordt verkocht aan een vennootschap van het management van KD BV. KD BV ontvoegt daardoor uit de FE met TH BV [GEANONIMISEERD]. Op [GEANONIMISEERD] in het gegeven geval komt de vraag op of KD BV vanaf [GEANONIMISEERD] zelfstandig belastingplichtig wordt of dat de fiscale eenheid tussen TH BV en KD BV vanaf [GEANONIMISEERD] niet tot stand is gekomen als gevolg van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb. Als dat laatste het geval is, dan is KD BV vanaf [GEANONIMISEERD] zelfstandig belastingplichtig.
**Antwoord**
De KG FFE is van mening dat de ratio van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb, het voorkomen van meerdere perioden van zelfstandige belastingplicht in een jaar, in dit geval prevaleert boven de letterlijke tekst van het lid. De FE tussen TH BV en KD BV kan derhalve wel bestaan.
**Onderbouwing**
Zoals hiervoor opgemerkt is in art. 15 lid 11 van de Wet Vpb een speciale regeling opgenomen voor voeging en ontvoeging van een dochtermaatschappij in hetzelfde boekjaar. De tekst van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb luidt als volgt:
"Indien een moedermaatschappij als bedoeld in het tweede lid of een dochtermaatschappij in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een fiscale eenheid en deze eenheid ten aanzien van die maatschappij nog in hetzelfde boekjaar eindigt, wordt voor de tussenliggende periode ten aanzien van die maatschappij geacht geen fiscale eenheid tot stand te zijn gekomen." De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing op een bestaande fiscale eenheid die in de loop van haar boekjaar deel gaat uitmaken van een andere fiscale eenheid en nog in hetzelfde boekjaar uit laatstgenoemde eenheid wordt ontvoegd.
Het doel van deze bepaling is het voorkomen van twee periodes van zelfstandige belastingplicht in een kalenderjaar. Op grond van art. [GEANONIMISEERD] van de Wet Vpb wordt het gedeelte van het jaar voor voeging en/of na ontvoeging als zelfstandig jaar aangemerkt waarvoor een aangifte wordt uitgereikt. Als voeging en ontvoeging van een dochtermaatschappij in hetzelfde kalenderjaar plaatsvinden, heeft dat tot gevolg dat in een kalenderjaar twee afzonderlijke aangiftes worden uitgereikt aan die maatschappij. Art. 15 lid 11 van de Wet Vpb heeft mede tot doel dit te voorkomen.
In casu worden de aandelen in TH BV op [GEANONIMISEERD] vervreemd. Daardoor ontvoegt TH BV en daarmee KD BV uit de FE met [GEANONIMISEERD]. Aansluitend vormen TH BV en KD BV een FE. Er is dus geen periode van zelfstandige belastingplicht van KD BV. Als gevolg van de verkoop van de aandelen is KD BV op [GEANONIMISEERD] vanaf dat moment zelfstandig belastingplichtig en daarmee dus ook aangifteplichtig. Hetgeen art. 15 lid 11 van de Wet Vpb tot doel heeft om te voorkomen, het ontstaan van twee periodes van zelfstandige belastingplicht in een boekjaar, doet zich hier bij KD BV niet voor. Gegeven de ratio van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb zou dit lid in de onderhavige casus dus niet van toepassing moeten zijn.
[GEANONIMISEERD] wordt KD BV. De tekst van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb maakt echter dit onderscheid niet. Op grond van de letterlijke tekst is de FE tussen TH BV en KD BV niet tot stand gekomen omdat KD BV gedurende het jaar deel gaat uitmaken en ophoudt deel uit te maken van de FE met TH BV. Naar de mening van de KG heeft in deze casus niet de letterlijke tekst van art. 15 lid 11 van de Wet Vpb te prevaleren, maar de ratio van deze bepaling (teleologische interpretatie).
In het verzamelbesluit van 14 december 2010 nr. DGB2010 4610M, gewijzigd via het besluit van 10 juni 2020 nr. 2020 06221, is in onderdeel 13 een goedkeuring opgenomen voor een situatie dat een reguliere fiscale eenheid overgaat in een zuster fiscale eenheid (of vice versa). Zonder goedkeuring zou de eerste fiscale eenheid niet tot stand komen omdat in het geval van het besluit bij zowel moeder als dochter sprake is van een jaarafsluiting. De casus die nu voorligt is dus niet vergelijkbaar met deze goedkeuring.
**Conclusie**
Op grond van de letterlijke tekst van art. 15 lid 11 Wet Vpb is de FE tussen TH BV en KD BV niet tot stand gekomen omdat KD BV gedurende het jaar deel gaat uitmaken en ophoudt deel uit te maken van de FE met TH BV. De KG is echter van mening dat art. 15 lid 11 Wet Vpb, ondanks de letterlijke tekst daarvan, niet van toepassing is op KD BV in de periode dat ze deel uitmaakt van de FE met TH BV. Deze conclusie is afgestemd. Zie MvT kamerstukken II 2001 02 28 608 nr. 47.
We worden een groot aantal fiscale consequenties aan dit moment verbonden, bijvoorbeeld de waardering van onderlinge schulden en vorderingen, verliesverrekening, toepassing van art. 15ai van de Wet Vpb, etc.
**VERTROUWELIJK**
Geef een reactie