AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of bij de bepaling van het opgeofferde bedrag voor een deelneming moet worden uitgegaan van het historische bedrag of een allocatie. De Kennisgroep concludeert dat het historische bedrag moet worden gehanteerd, zonder ruimte voor een concernbenadering.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Belastingdienst**
Kennisgroep
Deelnemingsvrijstelling
van Berkensteijn GO Amsterdam
per e-mail
Datum: 26 februari 2021
Ons kenmerk: 20 023 0026
**Betreft:** Vraag aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling
Beste [GEANONIMISEERD],
Je hebt een vraag gesteld aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling. In de bijlage tref je het antwoord en de beschouwing aan op deze vraag. Als je over het antwoord of de beschouwing nog vragen hebt, aarzel dan niet om contact op te nemen. Mijn contactgegevens staan bovenaan deze brief.
Met vriendelijke groet,
[GEANONIMISEERD]
—
**Vraag**
Moet in casu bij de directe houdstervennootschap het bepalen van het opgeofferde bedrag voor [GEANONIMISEERD] worden uitgegaan van het door de historische opgeofferde bedrag voor de externe overname of een allocatie van de aangekochte deelneming aan de middellijk houdster?
**Antwoord**
De Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling is van mening dat in casu moet worden aangesloten bij het door de directe houdstervennootschap historische opgeofferde bedrag. In casu zijn dit de oorspronkelijke opgeofferde bedragen die het concern zich heeft getroost voor de verkrijging van het 100% belang in [GEANONIMISEERD]. De Kennisgroep is tevens van mening dat de wettekst noch de ratio, de overige parlementaire behandeling respectievelijk de jurisprudentie steun bieden aan een concernbenadering op basis van een PPA.
**Ter overweging**
De Kennisgroep maakt overigens van de gelegenheid gebruik om nog twee punten in overweging mee te geven buiten verzoek.
**Casus**
De Kennisgroep is bij het beantwoorden van de vraag van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan.
—
**Beschouwing**
**Aangrijpingspunt directe houdster deelneming**
De Kennisgroep is van mening dat de wettekst uitgaat van het perspectief van de directe houdster van de deelneming. De wettekst van artikel 13d lid jo lid 2 Wet Vpb 1969 luidt namelijk:
De deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing ten aanzien van een verlies op een deelneming dat tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden (liquidatieverlies). Het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmede het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie uitkeringen overtreft.
De combinatie van de beide leden maakt dat de wettekst geen grondslag biedt voor een concernbenadering. Overigens blijkt de zelfstandige positie van de directe houdster van de deelneming ook uit de zogenoemde tussenhoudsterregeling van artikel 13d lid Wet Vpb 1969.
**Ratio liquidatieverliesregeling**
De Kennisgroep is verder van mening dat de parlementaire behandeling niet tot een andere conclusie leidt. Blijkens de parlementaire geschiedenis gaat achter de liquidatieverliesregeling van oorsprong namelijk het volgende gedachte schuil. Zoals ter aangewezen plaatse is uiteengezet, wordt de voorgestelde regeling gemotiveerd met het feit dat door de liquidatie van de dochter voorgoed de mogelijkheid verloren gaat de verliezen van deze maatschappij nog met winsten van haarzelf te compenseren.
De Kennisgroep leidt hieruit af dat de ratio van de liquidatieverliesregeling is om verliezen die door de liquidatie van de deelneming definitief verloren dreigen te gaan op een bepaalde manier bij de directe houdster te kunnen compenseren.
**Hoogte liquidatieverlies**
Uitgaande van de ratio was het denkbaar geweest dat de wetgever voor het bepalen van de hoogte van het liquidatieverlies een regeling zou hebben getroffen die het onverrekende verlies bij de deelneming rechtstreeks naar de directe houdster overhevelt. Op grond van uitvoeringsmotieven is evenwel gekozen voor een andere systematiek. Een systematiek die aangrijpt bij de directe houdster en op basis waarvan het liquidatieverlies wordt bepaald op het verschil tussen het opgeofferde bedrag door de directe houdster en de liquidatie uitkeringen door de deelneming.
In de parlementaire behandeling is dit als volgt verwoord:
"In plaats van dit onverrekend gebleven verlies vast te stellen en over te brengen naar de moedermaatschappij, welk regime op grote praktische bezwaren zou stuiten, hebben de ondergetekenden gemeend aansluiting te moeten zoeken bij het verlies dat zich bij de moedermaatschappij manifesteert. Dit verlies is gesteld op het verschil tussen het bedrag dat voor de verkrijging van de deelneming is opgeofferd en de som van de daarop ontvangen liquidatie uitkeringen."
Alhoewel de wettekst geen definitie van het opgeofferde bedrag kent, maar slechts bepaalt wat daaronder in ieder geval moet worden begrepen, blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de zakelijke kostprijs van de deelneming ten tijde van de verkrijging het uitgangspunt bij de berekening van het opgeofferde bedrag vormt.
De Kennisgroep leidt hieruit af dat het bij de liquidatieverliesregeling in beginsel om de definitief verloren verliezen van de deelneming zelf gaat, zoals dat tot uitdrukking komt bij de directe houdster en niet om het geleden concernverlies door het concern waarvan de deelneming op het moment van liquidatie deel uitmaakt.
**Jurisprudentie**
De Kennisgroep is niet bekend met jurisprudentie waarin de wijziging van een uiteindelijk belang in een lichaam waarin een latent liquidatieverlies aanwezig is succesvol is bestreden vanuit de ratio van liquidatieverliesregeling in die zin dat het opgeofferde bedrag voor een deelneming bij de moedermaatschappij zou worden vervangen door het bedrag dat de verkrijger voor de moedermaatschappij heeft betaald.
Dat de directe houdster de waardering van haar deelneming niet naar beneden behoeft aan te passen als de directe houdster zelf wordt gekocht en blijkens de prijsstelling daarvan de deelneming in waarde is gedaald, vindt ook enige steun in BNB 2014/119 en BNB 2018/205.
In BNB 2004/218 was NV een houdstermaatschappij met deelneming BV. Het hof stelde vast dat BV op zichzelf geen enkele waarde vertegenwoordigde, anders dan dat daaraan een opgeofferd bedrag van 107.857.793 kon worden toegekend, met daaraan verbonden een te realiseren liquidatieverlies ter grootte van dat bedrag in het geval deze deelneming zou worden ontbonden en vereffend. Voorts stond vast dat dit liquidatieverlies reeds aanwezig was ten tijde van de overdracht van de aandelen NV.
Het Hof stond de verrekening van het liquidatieverlies niet toe op grond van doel en strekking van artikel 20 lid Wet Vpb 1969, de voorloper van het huidige artikel 20a Wet Vpb 1969. Voor het Hof stond het opgeofferde bedrag bij NV voor BV als zodanig echter niet ter discussie.
—
**Concernbenadering**
Hoewel de Kennisgroep er oog voor heeft dat in casu een bijzonder effect optreedt dat zich niet zou hebben voorgedaan bij een directe verwerving van de deelneming, zou een concernbenadering de hiervoor genoemde uitgangspunten doorkruisen. Noch het verlies van de deelneming zelf, noch het verlies van de moedermaatschappij komt in aftrek als het opgeofferde bedrag op basis van een PPA wordt bepaald. Een dergelijke benadering kan daarom naar de mening van de Kennisgroep niet worden verklaard met doel en strekking van artikel 13d Wet Vpb 1969.
Daarnaast is een concernbenadering voor de bepaling van het opgeofferde bedrag bij de parlementaire behandeling van artikel 13d lid Wet Vpb 1969 afgewezen. Het uitgangspunt is de zelfstandigheid van de belastingplichtige, behoudens in een specifieke situatie van misbruik waarin de wet voorziet.
Anders dan bij de fiscale eenheid is binnen de context van de deelnemingsvrijstelling de zelfstandigheid van moedermaatschappij en dochtermaatschappij het uitgangspunt. Bij verkoop van een deelneming binnen concern is dit niet anders. Voor een belastingplichtige die een deelneming verwerft, wordt het opgeofferde bedrag bepaald door de daadwerkelijk betaalde prijs. Bij koop van een deelneming binnen concern is dit in beginsel niet anders. Indien echter de waarde van de deelneming is gestegen, biedt dit een mogelijkheid om vanuit het concern bezien het mogelijk aftrekbare liquidatieverlies te maximaliseren. Dit oneigenlijke gebruik wordt al sinds de totstandkoming van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 bestreden, maar behoeft thans enige uitbreiding.
Uit hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt moge blijken dat ik de voorgestelde wijziging niet beschouw als een voor belastingplichtigen zeer eenzijdige reparatie. De suggestie van de genoemde leden dat in dit verband een beroep op de hardheidsclausule zou kunnen worden gedaan, onderschrijf ik niet. Wel zou de hardheidsclausule een rol kunnen spelen in gevallen waarin bijvoorbeeld het concern een concern overneemt. Bij een overdracht van een tot het concern behorende deelneming kan het onder omstandigheden onredelijk zijn het opgeofferde bedrag te beperken tot hetgeen ooit is opgeofferd door het concern.
—
**Ongewenste effecten concernbenadering**
Een consequente toepassing van een concernbenadering zou er in de ogen van de Kennisgroep toe leiden dat de PPA niet alleen ten aanzien van de in waarde gedaalde deelneming wordt gevolgd, maar tevens ten aanzien van de overige middellijk verkregen deelnemingen. Een aandeelhouderswijziging hoger in de structuur, al dan niet in het buitenland, zou dan bijvoorbeeld op het niveau van de Nederlandse directe houdster per saldo resulteren in een step-up in het opgeofferde bedrag van haar deelnemingen op basis van de door de buitenlandse uiteindelijke aandeelhouder betaalde goodwill.
Ook is een concernbenadering niet wenselijk omdat het de deur openzet naar dubbele verliesneming. Dat wil zeggen mogelijk zowel in het buitenland op het niveau van de uiteindelijke aandeelhouder bij liquidatie van de Nederlandse houdster als bij de Nederlandse tussenhoudster op basis van het door het buitenlandse concern betaalde overnameprijs.
Daarbij zal moeten worden bepaald welke mate van wijziging in het uiteindelijke belang ertoe leidt dat het opgeofferde bedrag op het niveau van de belastingplichtige wordt aangepast bij iedere mutatie bij 30 of 33 of slechts bij 100. Ook uitvoeringstechnisch vindt de Kennisgroep het bezwaarlijk om bij de berekening van het liquidatieverlies op het niveau van de houdster niet de historische verkrijgingsprijs als startpunt te kunnen hanteren, maar in plaats daarvan te moeten nagaan welke investeringen er middellijk bij opeenvolgende uiteindelijke aandeelhouders zijn gedaan. Wat te doen als mutaties bijvoorbeeld bij beursvennootschappen niet zijn te achterhalen?
Geef een reactie