1804172

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of een schadevergoeding voor onteigening onder de deelnemingsvrijstelling valt. De Kennisgroep concludeert dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is, omdat er een meer rechtstreeks verband bestaat tussen de schadevergoeding en de onteigening dan met de deelneming.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling
Datum: 17 maart 2021
Ons kenmerk: 20 023 0020

**Betreft:** Vraag aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling

Beste [GEANONIMISEERD],

Je hebt een vraag gesteld aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling. In de bijlage tref je het antwoord en de beschouwing aan op deze vraag. Als je over het antwoord of de beschouwing nog vragen hebt, aarzel dan niet om contact op te nemen. Mijn contactgegevens staan bovenaan deze brief.

Met vriendelijke groet,
[GEANONIMISEERD]

**20-023-0020 Onteigening activa deelneming en schadevergoeding**

**Aanleiding**
[GEANONIMISEERD]

**Vraag**
Valt in casu bij [GEANONIMISEERD] de onteigening van de activa onder de deelnemingsvrijstelling? Is de ontvangen schadevergoeding voor de effectieve onteigening op basis van de schikking in het vonnis van [GEANONIMISEERD] onder de deelnemingsvrijstelling?

**Antwoord**
De Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling is van mening dat de allocatievraag vooraf gaat aan de vraag over de deelnemingsvrijstelling. Aan welke entiteit moet de schadevergoeding voor de effectieve onteigening worden gealloceerd? Dit is echter een vraag die bij de CGVP thuishoort. De Kennisgroep benadrukt dat hier eerst duidelijkheid over moet zijn voordat aan de vraag over de deelnemingsvrijstelling kan worden toegekomen.

Als blijkt dat de schadevergoeding voor de effectieve onteigening aan [GEANONIMISEERD] kan worden gealloceerd, is de Kennisgroep van mening dat in casu [GEANONIMISEERD] de deelnemingsvrijstelling niet kan toepassen op de schadevergoeding voor de effectieve onteigening. Volgens de Kennisgroep is er in casu namelijk een meer rechtstreeks verband tussen de schadevergoeding en de [GEANONIMISEERD] dan tussen de schadevergoeding en de deelneming in [GEANONIMISEERD].

**Casus**
**Structuur**
De Kennisgroep is bij het beantwoorden van de vraag van de volgende structuur uitgegaan:
[GEANONIMISEERD]

**Feiten en omstandigheden**
De Kennisgroep is bij het beantwoorden van de vraag van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan:
[GEANONIMISEERD]

**Beschouwing**
**Inleiding**
Bij de vraag of de toegekende schadevergoeding in casu onder de deelnemingsvrijstelling valt, moeten de volgende drie vragen worden beantwoord:
1. **Allocatievraag:** Hoort de vergoeding bij [GEANONIMISEERD]?
2. **Bezitseis:** Is er sprake van een deelneming in [GEANONIMISEERD]?
3. **Causaliteitseis:** Is er sprake van een voordeel uit hoofde van een deelneming?

**Vooraf:** Standpunt adviseur
De Kennisgroep is van mening dat de allocatievraag eerst moet worden beantwoord voordat aan de vraag over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op de schadevergoeding wordt toegekomen. De Kennisgroep adviseert deze vraag voor te leggen aan de CGVP. In dit preadvies is het uitgangspunt dat de schadevergoeding aan [GEANONIMISEERD] kan worden gealloceerd.

**Bezitseis**
De Kennisgroep is van mening dat aan de bezitseis wordt voldaan. [GEANONIMISEERD] had voor de onteigening van de activa een deelneming in [GEANONIMISEERD].

**Causaliteitseis**
Volgens de Kennisgroep speelt de causaliteit nog steeds een rol in deelnemingssituaties. In casu is de Kennisgroep van mening dat een meer causaal verband bestaat tussen de schadevergoeding en de [GEANONIMISEERD] dan tussen de schadevergoeding en de deelneming in [GEANONIMISEERD].

Alhoewel zonder de deelneming geen schadevergoeding zou zijn ontvangen en er dus wel enig verband bestaat tussen de deelneming en de vergoeding, is dit verband onvoldoende om aan de causaliteitseis te voldoen. Uit jurisprudentie blijkt namelijk dat slechts de aanwezigheid van enig verband tussen de gehouden deelneming en het voordeel onvoldoende is voor het causale verband dat de term "uit hoofde van" in artikel 13 lid Wet Vpb 1969 eist.

Tot slot, alhoewel de Hoge Raad in het zogenoemde Poolse verzekeraars arrest niet aan de causaliteitseis toe lijkt te komen, volgt daar naar de mening van de Kennisgroep echter niet uit dat deze arresten zo ver strekken dat alle schadevergoedingen per definitie onder de deelnemingsvrijstelling vallen als er enig verband met een deelneming is.

Paginanummer van 1804172 00067

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *