1804125

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de toepassing van artikel 13d lid 6 Wet Vpb 1969 in het geval van verbonden lichamen. De Kennisgroep concludeert dat de maximumwaarderingsregels van toepassing zijn bij de inbreng van aandelen, wat leidt tot een opgeofferd bedrag van 67Awr bij liquidatie.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
Hop GO Amsterdam
per mail
Kennisgroep
Deelnemingsvrijstelling
Datum: 13 juli 2021
Ons kenmerk: 21 023 0010
Betreft: Vraag aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling

Beste [GEANONIMISEERD],

Je hebt een vraag gesteld aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling. In de bijlage tref je het antwoord en de beschouwing aan op deze vraag. Als je over het antwoord of de beschouwing nog vragen hebt, aarzel dan niet om contact op te nemen. Mijn contactgegevens staan bovenaan deze brief.

Met vriendelijke groet,
[GEANONIMISEERD]

**21 023 0010 Liquidatieverlies en aandelenfusie**
Aanleiding
In artikel 13d van de Wet Vpb liquideert de deelneming. Deze deelneming is tegen uitreiking van aandelen ingebracht in de tussenholding. De tussenholding heeft de deelneming geliquideerd. Deelneming behoorde tot de liquidatie-uitkering.

**Vragen**
Aan de Kennisgroep Deelnemingsvrijstelling is de vraag voorgelegd of artikel 13d lid eerste volzin Wet Vpb 1969 van toepassing is, omdat en vanaf het moment van inbreng van de aandelen verbonden lichamen zijn.

**Antwoord**
De Kennisgroep is van mening dat er geen twijfel bestaat dat bij de inbreng van de aandelen sprake is van verbondenheid tussen de lichamen in de zin van artikel 10a lid Wet Vpb. Hierdoor zijn de maximumwaarderingsregels van artikel 13d lid eerste en derde volzin Wet Vpb op deze inbreng van toepassing.

In geval van een opgeofferd bedrag van [GEANONIMISEERD] voor deelneming geldt voor de liquidatie van [GEANONIMISEERD] door de maximumwaarderingsregel van artikel 13d lid tweede volzin Wet Vpb 1969 een opgeofferd bedrag voor deelneming van [GEANONIMISEERD].

Bij de liquidatie van deelneming moet bij dit opgeofferd bedrag worden uitgegaan. Er bestaat volgens de Kennisgroep geen aanleiding om de wet op dit punt anders uit te leggen.

**Casus**
Feiten en omstandigheden
Bij de beantwoording van de vraag is de Kennisgroep van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan: [GEANONIMISEERD].

**Beschouwing**
Verbondenheid en toepassing artikel 13d lid Wet Vpb
Kern
In casu speelt de vraag hoe het opgeofferd bedrag dient te worden berekend na toepassing van artikel 13d lid Wet Vpb als de bij de liquidatie verkregen deelneming in het verleden een rechtstreekse deelneming is geweest.

Het kernpunt gaat om de vraag of en als verbonden artikel 13d lid eerste volzin juncto artikel 10a lid Wet Vpb dienen te worden aangemerkt op het moment van de inbreng van de aandelen. Indien er op dat moment geen sprake zou zijn van verbondenheid, zou artikel 13d lid eerste volzin Wet Vpb niet van toepassing zijn.

De Kennisgroep is van mening dat wel sprake is van verbondenheid bij de inbreng van de aandelen. Hierdoor is artikel 13d lid eerste volzin Wet Vpb van toepassing en geldt dat het door opgeofferde bedrag voor deelneming als maximum doorschuift naar [GEANONIMISEERD].

**Wetsgeschiedenis**
De eerste keer dat de regeling zoals thans vormgegeven in artikel 13d lid eerste volzin Wet Vpb in de wet is gekomen, is bij de invoering van de Wet Vpb 1969 op 17 januari 1963.

**Bijlage**
Wetgeving
Artikel 13d lid Wet Vpb luidt voor zover relevant als volgt:
Indien een deelneming is verkregen van een verbonden lichaam, wordt het opgeofferde bedrag ten tijde van de verkrijging niet hoger gesteld dan het bedrag dat dat lichaam voor die deelneming heeft opgeofferd.

**Standpunt vraagsteller**
[GEANONIMISEERD]
**Standpunt belastingplichtige**
[GEANONIMISEERD]

Paginanummer van 1804125 00072

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *