AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de gevolgen van de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht voor een binnenlands belastingplichtige. De ruling concludeert dat deze keuze niet leidt tot een fictieve vervreemding volgens de relevante belastingwetgeving.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Kennisgroep Aanmerkelijk belang**
**Betreft:** Casus 21 003 0062 Partiële buitenlandse belastingplicht artikel IB 2001
**Datum:** 24 11 2021
**Vraag**
[GEANONIMISEERD] woont vanaf het belastingjaar [GEANONIMISEERD] in Nederland en is vanaf dat moment binnenlands belastingplichtige. Hij bezit aandelen in een naar buitenlands recht opgerichte, niet in Nederland gevestigde vennootschap. Op grond van artikel [GEANONIMISEERD] Wet IB 2001 jo artikel 11 UBIB 2001 kiest hij ervoor om vanaf [GEANONIMISEERD] te worden aangemerkt als partiële buitenlandse belastingplichtige. Is hierdoor sprake van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 16 eerste lid sub Wet IB 2001?
**Antwoord**
De kennisgroep is van mening dat het krachtens artikel [GEANONIMISEERD] Wet IB 2001 opteren voor partiële buitenlandse belastingplicht niet tot gevolg heeft dat sprake is van een fictieve vervreemding in de zin van artikel 16 eerste lid sub Wet IB 2001.
**Beschouwing**
[GEANONIMISEERD] is vanaf [GEANONIMISEERD] inwoner van Nederland en op grond daarvan binnenlands belastingplichtig. In 2017 ontvangt belanghebbende een beschikking. Door ontvangst van deze beschikking staat voor hem de mogelijkheid open om een beroep te doen op de toepassing van artikel [GEANONIMISEERD] Wet IB 2001. Hij beschikt over een aanmerkelijk belang in een naar buitenlands recht opgerichte rechtspersoon welke niet in Nederland is gevestigd. De vraag is nu wat de consequenties zijn voor het aanmerkelijk belang op het moment dat door wordt gekozen voor partiële buitenlandse belastingplicht.
Essentieel voor de toepassing van de fictieve vervreemding op grond van artikel 16 eerste lid sub Wet IB 2001 is dat de belastingplichtige anders dan door overlijden ophoudt binnenlands belastingplichtige te zijn. Kortom, wanneer de binnenlandse belastingplicht in stand blijft, is van een fictieve vervreemding op grond van dit artikel geen sprake. Op grond van de toelichting van de Staatssecretaris in het Besluit van 23 augustus 2013 nr DGB2013 70M, geldend vanaf 12 september 2013, blijkt dat bij de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht de binnenlandse belastingplicht niet eindigt. Enkel voor bepaalde onderdelen van de belastingheffing, te weten de inkomsten uit aanmerkelijk belang en de inkomsten uit sparen en beleggen, worden de regels van hoofdstuk [GEANONIMISEERD] van de Wet IB 2001 toegepast (zie bijlage).
Per kalenderjaar kan de belastingplichtige hiervoor kiezen. Gelet op het feit dat de binnenlandse belastingplicht bij een beroep op artikel [GEANONIMISEERD] Wet IB 2001 niet eindigt, kan van een fictieve vervreemding geen sprake zijn. Dat voor het aanmerkelijk belang vervolgens rekening wordt gehouden met de regels op grond van hoofdstuk [GEANONIMISEERD] doet hier niet aan af. Deze uitkomst ligt in lijn met de ratio van de regeling (zie bijlage).
De keuze om te worden aangemerkt als partiële buitenlandse belastingplichtige heeft geen invloed op de eerder vastgestelde verkrijgingsprijs van de aandelen in de in het buitenland gevestigde vennootschap.
**Bijlage**
Besluit van 23 augustus 2013 nr DGB2013 70M
**Vraag**
Welke gevolgen zijn er verbonden aan het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen artikel [GEANONIMISEERD] van de Wet IB?
**Antwoord**
Ingevolge artikel 11 van het UBIB wordt de in Nederland wonende ingekomen werknemer die gebruik maakt van het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen in de boxen en in de heffing betrokken volgens de regels die gelden voor buitenlandse belastingplichtigen (partiële buitenlandse belastingplicht). Voor andere aspecten wordt de in Nederland wonende ingekomen werknemer als binnenlands belastingplichtige in de heffing betrokken. Een inwoner van Nederland die gebruik maakt van het keuzerecht voor in het buitenland geworven deskundigen houdt door de keuze niet op binnenlands belastingplichtige te zijn.
**Bijlage**
Toelichting Oorspronkelijke tekst
In dit artikel wordt de keuze voor partiële buitenlandse belastingplicht geregeld voor naar Nederland gekomen extraterritoriale werknemers. Dit zijn uit een ander land aangeworven of uitgezonden werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Voor deze onder de 30-regeling naar Nederland gekomen werknemers wordt via het instellen van een partiële buitenlandse belastingplicht het wezen van de huidige regeling inzake fictieve buitenlandse belastingplicht gecontinueerd, op grond waarvan zij voor [GEANONIMISEERD] op verzoek wat betreft hun vermogensinkomsten alleen werden belast voor hun binnenlandse inkomsten, dus meestal alleen voor het huurwaardeforfait als zij een eigen woning hebben, en wat betreft de vermogensbelasting alleen maar voor het binnenlandse vermogen, in de praktijk meestal dus alleen de eigen woning in Nederland. In de nieuwe opzet van de inkomstenbelasting wordt de groep van tijdelijk naar Nederland gekomen werknemers voor de heffing over de boxen II en III behandeld als waren zij buitenlandse belastingplichtig.
**NvT**
Besluit van 20 december 2000 houdende vaststelling van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 Stb 2000 641.
**Datum:** 24 11 2021
Geef een reactie