AI-samenvatting
In deze belastinguitspraak wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een gefacilieerde aandelenfusie, omdat niet wordt voldaan aan het stemrechtcriterium. Dit heeft gevolgen voor de belastingheffing op de vervreemdingswinst bij de aandelenoverdracht.
Kennisgroepstandpunt
Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat
**Antwoord casus aandelenfusie**
**Datum:** 11 januari 2021
Hierbij het definitieve antwoord van de kennisgroep ab op de door jullie voorgelegde vraag inzake het al dan niet aanwezig zijn van een gefacilieerde aandelenfusie. Het antwoord is afgestemd met de afdeling cassatie. De kennisgroep blijft graag aangesloten bij de verdere ontwikkelingen in deze casus.
**Betreft:** Antwoord casus aandelenfusie
**Aan:** Kennisgroep ab
**Beste,**
De door jullie ingediende vraag of in casu sprake is van een gekwalificeerde aandelenfusie stemrechtcriterium en ontgaanstoets is in de vergadering van de kennisgroep aanmerkelijk belang besproken. De kennisgroep is van mening dat niet wordt voldaan aan het stemrechtcriterium. Hierdoor is geen sprake van een gefacilieerde aandelenfusie in de zin van artikel 41 Wet IB 2001 jo artikel 55 Wet IB 2001.
**Verkorte casusomschrijving:**
Uitgangspositie: De heer houdt [GEANONIMISEERD] aan de aandelen in Werkmij BV. Daarnaast is hij voor [GEANONIMISEERD] firmant in de VOF. De heer houdt [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Beheer BV. Beheer BV houdt [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV. De heer is voor [GEANONIMISEERD] firmant in de VOF. Simpel gezegd heeft de heer [GEANONIMISEERD] belang en de heer [GEANONIMISEERD] een gezamenlijk bedrijf.
Er komt een verzoek in bij de Belastingdienst; de heer brengt zijn [GEANONIMISEERD] participatie in Werkmij BV in in een nieuw op te richten Holding BV tegen uitreiking van aandelen door Holding. Vervolgens wordt de VOF geruisloos ingebracht door de heren in Holding respectievelijk Beheer. De onderneming zakt vervolgens door middel van een bedrijfsfusie uit in Werkmij. Voor de diverse belastingmiddelen worden beschikkingen afgegeven.
In het licht van de maandstermijn van artikel 65 Wet IB 2001 wordt een intentieverklaring door [GEANONIMISEERD] verstrekt aan de Belastingdienst. Vervolgens is het gedurende een periode stil rondom dit verzoek tot medio maart 2018. Er komt een aanvullend verzoek waarbij de situatie in die zin is veranderd dat de firmanten op [GEANONIMISEERD] basis verder willen. Hiertoe zal een [GEANONIMISEERD] van zijn VOF deel aan verkopen. Vervolgens wordt Holding door [GEANONIMISEERD] opgericht, gevolgd door een aandelenfusie met Werkmij. Holding zal hierna [GEANONIMISEERD] de aandelen in Werkmij verkopen aan Beheer. Daarna zullen de VOF delen worden ingebracht in Holding respectievelijk Beheer.
**Vragen:**
1. Is er sprake van een gefacilieerde aandelenfusie nu de vraag kan worden gesteld of men wel aan het stemrechtvereiste voldoet?
2. Is er sprake van het ontgaan of uitstellen van belastingheffing nu na uitvoering van de aandelenfusie Holding [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij direct levert aan Beheer?
**Beschouwing:**
Ad 1. Wordt voldaan aan het stemrechtvereiste?
Op grond van artikel 55 Wet IB 2001 is, voorzover in casu van belang, sprake van een aandelenfusie indien verkort weergegeven een vennootschap tegen uitreiking van eigen aandelen een zodanig bezit aan aandelen in een andere vennootschap verwerft dat zij meer dan de helft van de stemrechten in de laatstgenoemde vennootschap kan uitoefenen.
In de onderhavige casus is het moment van de obligatoire overeenkomst, de verkoop van de aandelen in Werkmij BV aan Holding BV, niet helemaal duidelijk. Vanaf het sluiten van de obligatoire overeenkomst, de aandelenruil, bezit Holding de economische eigendom van vermoedelijk [GEANONIMISEERD] aandelen in Werkmij. De [GEANONIMISEERD] levering van [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV aan Holding BV vindt plaats op de oprichting van [GEANONIMISEERD]. Direct voorafgaande aan deze levering vindt eveneens op [GEANONIMISEERD] plaats.
Direct volgend op genoemde levering vervreemdt Holding BV [GEANONIMISEERD] de aandelen in Werkmij BV aan Beheer BV. Tenslotte worden op dezelfde datum de VOF ingebracht in Holding BV respectievelijk in Beheer BV en vervolgens [GEANONIMISEERD].
Het na de levering van [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV onmiddellijk doorleveren door Holding BV van [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV belet dat Holding BV een zodanig bezit aan aandelen in Werkmij BV heeft verworven dat zij meer dan de helft van de stemrechten in Werkmij BV kon uitoefenen. Het geheel van de op [GEANONIMISEERD] Holding BV, al was het maar tijdelijk, in de uitoefening van de stemrechten in Werkmij BV, verhindert dat.
Ad 2. Indien de obligatoire overeenkomst de vervreemding door [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV niet ligt vóór het moment waarop vaststaat dat Holding BV [GEANONIMISEERD] van de aandelen in Werkmij BV zal doorverkopen aan Beheer BV, dan is sprake van een samenstel van rechtshandelingen waardoor niet voldaan wordt aan het stemrechtvereiste en sprake is van ontgaan van belastingheffing.
Conclusie:
Met het perfect worden van de obligatoire overeenkomst vervreemdt zijn aandelen in Werkmij BV aan Holding BV tegen uitreiking van aandelen in Holding BV. Omdat geen sprake is van een aandelenfusie in de zin van artikel 55 Wet IB 2001, dient over deze vervreemdingswinst te worden afgerekend. Als genietingsmoment geldt het hiervoor genoemde moment van perfect worden van de obligatoire overeenkomst. Indien een fiscale partner heeft, dient de vervreemdingswinst over beiden 50/50 te worden verdeeld.
Geef een reactie