1774484

AI-samenvatting

Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of er sprake is van een gift bij verschillende situaties van huwelijkse verrekenbedingen. De ruling concludeert dat een eenzijdig verrekenbeding leidt tot een schenking onder opschortende voorwaarde, terwijl een wederkerig verrekenbeding geen schenking vormt.

Kennisgroepstandpunt

Kenmerk 1
Fout! Onbekende naam voor documenteigenschap.
Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Postbus 18500
3501 CM Utrecht
Datum
10 december 2020
Behandelaar
5.1.2e ; 5.1.2
Uw kenmerk
Kenmerk
KGSW20.0011
Betreft versie
Successiewet. Giftbegrip, bij verrekenbedingen, diverse casusposities

Geachte mevrouw/heer,

Recent hebt u een vraag gesteld aan de kennisgroep Successiewet. Ik bericht u daarop als volgt.

Vraag
Is sprake van een gift in de volgende situaties:
1. A en B huwen in koude uitsluiting. Ze komen daarnaast een verplicht eenzijdig finaal verrekenbeding overeen alsof ze in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Het verrekenbeding werkt als het huwelijk eindigt door echtscheiding of door het overlijden van A, maar alleen ten gunste van B. De verrekenvordering bedraagt maximaal € 3 miljoen bij overlijden of echtscheiding na 10 jaar huwelijk, maximaal € 2 miljoen bij echtscheiding na 5 jaar huwelijk en maximaal € 1 miljoen na echtscheiding korter dan 5 jaar huwelijk.
2. C en D huwen in koude uitsluiting. Ze komen een verplicht wederkerig finaal verrekenbeding overeen alsof ze in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd. Het verrekenbeding werkt als één van beiden komt te overlijden of als het huwelijk eindigt door echtscheiding. Daarbij spreken zij af dat als de uiteindelijke verkrijging van een van beide echtgenoten minder bedraagt dan € 1 miljoen, de andere echtgenoot dit aanvult uit zijn eigen vermogen (dat wil zeggen: uit diens vermogen dat niet in de verrekening valt, zoals een erfenis met uitsluitingsclausule).
3. Maakt het nog uit wanneer de man telkens een halve generatie ouder is dan de vrouw, en de meer vermogende is?

Antwoord
1. Ja, bij een eenzijdig verrekenbeding (uit de verrekening kan alleen een vordering voor B ontstaan) verrijkt de partij die er voordeel uit kan trekken (hier B). De verrijking bestaat uit de kans op enig moment een vorderingsrecht te hebben. Spiegelbeeldig verarmt A met de kans te moeten verrekenen ten laste van zijn eigen vermogen. Uit de eenzijdigheid en het huwelijk vloeit de bevoordelingsbedoeling voort. Omdat niet op voorhand vaststaat dat het beding op enig moment gaat werken (B kan staande huwelijk als eerste overlijden), is sprake van een schenking onder opschortende voorwaarde. Deze schenking wordt fiscaal geacht tot stand te komen op het moment dat de voorwaarde wordt vervuld, dus op het moment dat het stel gaat scheiden of als A als eerste komt te overlijden. Als het echtpaar gaat scheiden en verrekening moet plaatsvinden, wordt schenkbelasting geheven op grond van art. 1, negende lid, SW. Omdat de belastingheffing aansluit bij het vervullen van de voorwaarde is ook meteen de hoogte van de verrekenvordering (en dus de heffingsgrondslag) bekend. Bij overlijden van A wordt eveneens over de verrekenvordering schenkbelasting geheven, terwijl tevens art. 11, derde lid, van toepassing is (zie HR BNB 1984/210)* zodat ook erfbelasting wordt geheven. Op grond van art. 7, tweede lid, strekt de schenkbelasting dan in mindering van de erfbelasting die op grond van art. 11 verschuldigd is.
2. Soms. Het overeenkomen van een verplicht wederkerig verrekenbeding alsof de echtgenoten in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren, vormt geen schenking. Dit is geregeld in onderdeel 3.2.3 van het zgn. Partnerbesluit (beleidsbesluit van 29 maart 2018, nr 2018-45928). Er is wel sprake van een schenking inzake de vordering die ontstaat op grond van de aanvulverplichting, voor zover het om vermogen gaat dat de echtelieden niet kunnen insluiten (giften en erfrechtelijke verkrijgingen met een privéclausule van art. 1:94 / 1:134 BW). Dat is op voorhand niet vast te stellen, zodat dit een schenking betreft onder de opschortende voorwaarde dat de aanvulverplichting zich voordoet.
3. Nee, op grond van de vaste jurisprudentie van de HR, onder meer BNB 1959/122, is trouwen in gemeenschap van goederen geen schenking, ongeacht verschil in vermogen of leeftijd. Onderdeel 3.2.3 van het zgn. Partnerbesluit (beleidsbesluit van 29 maart 2018, nr 2018-45928) over verrekenbedingen sluit daarbij aan: als echtgenoten een verrekenbeding als in gemeenschap van goederen overeenkomen, is dat geen gift. Uitzondering hierop vormt een huwelijk dat is aangegaan met een anti-fiscaal oogmerk (een zgn. schijnhuwelijk).
* HR BNB 1994/180 is hier niet van toepassing omdat in deze casus tijdens het huwelijk geen verrekening kon worden gevorderd.
** Huwelijksvermogensrecht per 2018: wettelijke gemeenschap van goederen omvat niet vermogen dat de echtgenoten bij het begin van het huwelijk al hadden. Zij kunnen dit bij huwelijkse voorwaarden wel tot de gemeenschap van goederen rekenen (zgn. insluiten). Doen zij dit over en weer voor al het vermogen waarvoor dat mogelijk is, dan ontstaat de algehele goederengemeenschap van het BW van voor 2018. Schenkingen en erfenissen waar een echte privé-clausule op zit, kunnen niet worden ingesloten en blijven dus altijd buiten een goederengemeenschap / het verrekenvermogen.

Hoogachtend,
namens Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *