AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de kwalificatie van pensioenverplichtingen in eigen beheer van een BV als ondernemingsvermogen. Het besluit bevestigt dat deze verplichtingen als ondernemingsschulden worden aangemerkt en legt uit hoe activa in verband met deze verplichtingen moeten worden geëtiketteerd.
Kennisgroepstandpunt
1774482
Kenmerk 1
Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Telefoonnummer
Datum
4 maart 2021
Behandelaar: 5.1.2e
Uw kenmerk
Kenmerk KGSW 20.0004
Betreft
Successiewet. BOR, Waardering pensioenverplichting en etikettering activa
Geachte mevrouw/heer,
In reactie op uw vraag ontvangt u hierbij het antwoord namens de kennisgroep Successiewet.
**Vraag**
Kwalificeert een pensioenverplichting in eigen beheer van een BV als ondernemingsvermogen, en zo ja welke activa kunnen worden aangemerkt als ‘met de pensioenverplichting verband houdende activa’.
**Antwoord:**
Ja, pensioenverplichtingen die uit de uitoefening van het bedrijf voortvloeien, zijn ondernemingsschulden. Etikettering vindt afzonderlijk plaats aan beide zijden van de balans. Binnen de grenzen van de redelijkheid kan een ondernemer kiezen welke vermogensbestanddelen tot het ondernemingsvermogen gerekend dienen te worden. Aan de actiefkant mag de belastingplichtige 1) de bedrijfsmiddelen sec in zijn geheel en 2) overig vermogen voor zover dat binnen de grenzen der redelijkheid blijft, tot het ondernemingsvermogen rekenen.
De pensioenverplichting wordt gesteld op de waarde in het economische verkeer. Omdat de fiscale waarde doorgaans lager ligt, mag de BV in de toekomst (in de uitkerende fase) het verschil nog ten laste van de winst brengen. Dit levert een negatieve latente Vpb-schuld op (zie onder toelichting).
NB 1. Een business-valuator kan je helpen met de waardering van de pensioenvoorziening en de etikettering van de vermogensbestanddelen.
NB 2. Een pensioen-BV sec drijft geen onderneming (BNB 2010/286), zodat de BOR alleen aan de orde komt als de bezittingen en schulden van een pensioen-BV worden toegerekend aan een ander lichaam dat een onderneming drijft (art. 35c, eerste lid, letter c en vijfde lid, SW).
NB 3. Wat geldt voor een pensioen-BV, geldt ook voor een BV waarin een lijfrente of een oudedagsverplichting in het kader van het uitfaseren van pensioen in eigen beheer is ondergebracht.
**Toelichting**
In zijn arrest van 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:145 (81 RO oordeel”) heeft de Hoge Raad bevestigd dat bij het bepalen van de hoogte van het ondernemingsvermogen, de commerciële waarde van de pensioenverplichting als ondernemingsschuld in aanmerking wordt genomen. De verplichting mag blijkens deze jurisprudentie niet worden opgehoogd met mogelijke toekomstige pensioenkosten waarvan het onzeker is of deze zich gaan voordoen, zoals bijvoorbeeld voor het zgn. lang-leven-risico of het welvaartsvast maken van het pensioen. Dit betreft de passiefzijde van de balans.
De etikettering van het ondernemingsvermogen aan de activazijde van de balans vindt plaats zonder te kijken of de BV —historisch bezien— activa heeft aangeschaft ter dekking van de pensioenverplichting. Als de BV aannemelijk maakt dat zij ten tijde van het belastbaar feit voor de Successiewet bepaalde activa aanhield om op termijn aan de pensioenverplichting te kunnen voldoen, worden deze activa niet aangemerkt als beleggingsvermogen. Dit geldt ook voor een vordering op de aandeelhouder, mits die snel kan terugbetalen als de BV de vordering opeist. Dit overige vermogen is dan naast de bedrijfsmiddelen in enge zin, ondernemingsvermogen. Voor de etikettering is niet van belang dat de pensioenuitkeringen op termijn mogelijk uit de dan te verwachten kasstroom kunnen worden voldaan.
Wel dient de BV in het aanhouden van dat overige vermogen naast de redelijkheid ook de bestendigheid in acht te nemen. Het eerste betekent dat bij vermogen waarmee grote risico’s worden genomen, het argument ‘ter dekking van de pensioenverplichting’ niet opgaat. Het tweede houdt in dat bij stortingen in de BV kort voor de verkrijging, het argument dat de kas wordt aangehouden ter dekking van de pensioenverplichting, niet opgaat.
De jurisprudentie staat bij deze etikettering toe dat de BV onder de activa naast ondernemingsvermogen in enge zin, een reële buffer aanhoudt (maar niet voor onzekerheden als de welvaartsvastheid van het nabestaandenpensioen en het risico van de overname van de pensioenpremie bij arbeidsongeschiktheid; dit stemt overeen met de waardering van de pensioenvoorziening aan de passiva-zijde van de balans, zie hiervoor). Wanneer het risico op arbeidsongeschiktheid extern verzekerd is, zoals vaak voorkomt, speelt dit uiteraard niet.
**Waardering / Vpb latentie**
De pensioenschuld op de fiscale balans is als gevolg van bepalingen in de belastingwetgeving doorgaans lager dan de pensioenschuld op de commerciële balans. Omdat de SW uitgaat van waarde in het economische verkeer, wordt de waarde van de aandelen bepaald aan de hand van de werkelijke waarde van activa en passiva. Hierdoor wordt rekening gehouden met de daadwerkelijke commerciële pensioenschuld.
Bij een pensioen worden de feitelijke lasten daarvan voor de vennootschap op den duur meestal hoger dan de fiscale waarde van de pensioenvoorziening. Dit leidt er toe dat de BV de pensioenuitkeringen die uitkomen boven de fiscale waarde van de voorziening, alsnog als loonkosten ten laste van het resultaat mag brengen. Deze hogere kosten leiden tot een lager bedrag aan verschuldigde Vpb. Daarom moet op peildatum bij de waardering van de aandelen een negatieve VPB-latentie worden toegepast. De extra pensioenlasten zullen pas in de toekomst worden genomen, zodat de Vpb-besparing zich ook pas in de toekomst voordoet. Voor het rekenvoorbeeld gaan we er van uit dat de latente Vpb-besparing is (afgeleid van het nominale tarief van 20 — 25%) te stellen op 12%.
**Voorbeeld**
Stel er is een BV met een onderneming sec (1200) en een kas (900). Aan de passiefzijde staat naast het eigen vermogen een pensioenverplichting (eigen beheer). Fiscaal is de pensioenverplichting 300, zodat het eigen vermogen 1800 is. Commercieel is de waarde van de pensioenverplichting 600, zodat commercieel het eigen vermogen 1500 bedraagt. Als de commerciële waarde van de pensioenverplichting hoger is dan de fiscale waarde is er sprake van een negatieve VPB-latentie. In het voorbeeld zijn er geen stille reserves of goodwill maar wel een verschil tussen de commerciële en fiscale waarde van de pensioenverplichting, dit verschil is 300 waardoor we bij een latent VPB-tarief van 12% de terug te ontvangen VPB bepalen op 36. Hierdoor wordt de waarde in het economische verkeer van de aandelen op 1500 + 36 = 1536 gesteld.
Inzake de etikettering / berekening zal als eerste moeten worden bepaald of er beleggingsvermogen in de vennootschap aanwezig is. Hierbij wordt uitgegaan van de commerciële balans. Om te bepalen of (een deel van) de liquide middelen ad 900 duurzaam overtollig is, moet bepaald worden hoeveel werkkapitaal de vennootschap nodig heeft om de lopende uitgaven (met enige buffer) te betalen. Stel dat het werkkapitaal op 200 wordt gesteld. Daarna moet worden beoordeeld of (een deel van) de liquide middelen wordt aangehouden ter dekking van de pensioenverplichting. De adviseur zal waarschijnlijk het standpunt innemen dat dat het geval is. Bij het bepalen welk gedeelte van de liquide middelen daarvoor wordt aangehouden, moet ook rekening worden gehouden met de VPB-teruggave/besparing. Daarvan uitgaande kan dan 600 — 36 = 564 van de liquide middelen worden toegerekend aan de pensioenverplichting. Van de liquide middelen zal 900 – 200 – 564 = 136 als duurzaam overtollig worden aangemerkt. Zoals hierboven berekend is de waarde van de aandelen 1536. Hiervan is 1536 – 136 = 1400 ondernemingsvermogen. Dit mag met 5% worden verhoogd, zodat in totaal als BOR-vermogen wordt aangemerkt 105% van 1400 = 1470. Van de totale waarde van de BV van 1536 blijft dan 66 buiten toepassing van de BOR.
* Voorafgaande uitspraken: Hoge Raad, 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1699, verwijzing naar gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5415.
** Onder de voorgestelde aangescherpte doorschuifregeling bij vererving van ab-aandelen is het mogelijk om een surplus aan te houden met het oog op het langlevenrisico. Op dit deel is echter de doorschuifregeling bij vererving van ab-aandelen niet van toepassing en dient er ter zake van dit deel te worden afgerekend. Tweede Kamer, 32129, nr. 8 blz 13.
Voor aanmerkelijk belang aspecten, zie standpunt 20.003 0028 van de kennisgroep AB.
Hoogachtend,
namens Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
5.1.2e
Geef een reactie