AI-samenvatting
Deze belastinguitspraak behandelt de vraag of de aflossing van een overbedelingsschuld leidt tot verrijking of verarming. Het antwoord bevestigt dat bij een hogere aflossing dan de contante waarde van de vordering, er sprake kan zijn van een schenking, afhankelijk van de vrijgevigheid van de aflossende partij.
Kennisgroepstandpunt
Belastingdienst
Kennisgroep Successiewet
Telefoonnummer 5.1.2e
Postbus 10014
8000 GA Zwolle
Datum: juni 2021
Behandelaar: |5.1.2e| werkoverleg S&E: 5.1.2e
Rotterdam. Uw kenmerk: KGSW 20.0020
Betreft: Successiewet. Giftbegrip, aflossen overbedelingsschuld door langstlevende ouder
Geachte mevrouw/heer,
In reactie op uw vraag ontvangt u hierbij het antwoord namens de kennisgroep Successiewet.
**Vraag**
Leidt aflossing tegen de nominale waarde van een niet-opeisbare renteloze c.q. rentedragende overbedelingsschuld tot verarming / verrijking, en hoe wordt die bepaald?
**Antwoord**
Ja, er is sprake van verrijking / verarming als de aflossing plaatsvindt tegen een hoger bedrag dan de contante waarde van de vordering. Als dit voortvloeit uit vrijgevigheid, is sprake van een schenking.
— Verrijking is aan de orde als de aflossing plaatsvindt tegen een hoger bedrag dan een willekeurige derde voor de vordering zou betalen. Die derde berekent zijn prijs door het uitstaande bedrag contant te maken met de marktrente voor schulden.
— De verarming wordt berekend met de spaarrente over tegoeden (zie de toelichting). Deze twee rentes zijn meestal niet gelijk, zodat verrijking niet automatisch leidt tot verarming bij de wederpartij. De rekentabellen van het Uitvoeringsbesluit SW voor vruchtgebruik spelen geen rol bij het bepalen of sprake is van een schenking. Als men eenmaal ‘door de poort van artikel 1 SW heen is’, vindt de waardering van de schenking wel met toepassing van deze rekentabellen plaats.
**Toelichting**
Het aflossen van een schuld is —uiteraard— geen schenking. Het bepalen van het bedrag waartegen een uitgestelde opeisbare vordering wordt afgelost, kan dat wel zijn. Daarbij spelen meerdere elementen een rol, die hier kort worden nagelopen.
**Verarming / verrijking**
Voor een schenking moeten aanwezig zijn: verarming van de schenker; verrijking van de begiftigde en vrijgevigheid c.q. bewustheid. Het is niet voldoende om enkel te beoordelen of meer dan de contante waarde van de onderbedelingsvordering wordt uitbetaald door de schuldenaar (bij aflossen van een overbedelingsschuld meestal de langstlevende ouder).
**Verarming:**
Er is sprake van verarming als de rente waarmee de contante waarde van de vordering ten tijde van de aflossing is berekend, lager is dan de spaarrente die geldt als dat bedrag wordt vastgezet voor de termijn van de statistische levensverwachting. Een lagere rekenrente leidt immers tot een hoger berekend bedrag van de aflossing.
**VOORBEELD:**
Een langstlevende partner heeft een statistische levensverwachting van 15 jaar. De renteloze overbedelingsschuld aan het kind bedraagt nominaal € 100.000. De actuele rente op spaargeld voor een termijn van 15 jaar bedraagt 3% per jaar.
**UITWERKING**
Op basis van de rente op spaargeld dat voor een termijn van 15 jaar wordt weggezet, bedraagt de contante waarde van de overbedelingsvordering € 64.186, want € 64.186 x (1,03)¹⁵ is € 100.000. Als de ouder de schuld aflost door betaling van een hoger bedrag dan € 64.186, is de verarming een feit.
**Verrijking:**
Van verrijking is sprake bij een verschil tussen het bedrag van de aflossing en het bedrag waarvoor een derde een vordering die pas na de statistische looptijd tot aflossing komt, zou willen kopen (de waarde in het economische verkeer; WEV). Als het kind zijn renteloze onderbedelingsvordering van nominaal € 100.000, opeisbaar over 15 jaar, kan verkopen voor € 70.000 (beste bod) en de ouder lost af door betaling van € 80.000, is de verrijking een feit.
**Vrijgevigheid**
Uiteraard dient de hogere aflossing uit vrijgevigheid te zijn geschied, wil er sprake kunnen zijn van een schenking. Die vrijgevigheid is te bewijzen door de inspecteur en is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.
**Vruchtgebruik**
Omdat de vordering niet direct opeisbaar is en een lagere rente draagt dan 6% samengestelde interest, is voor de ouder sprake van een vruchtgebruik voor de Successiewet. Door af te lossen doet de ouder afstand van dat vruchtgebruik. Als de aflossing uit vrijgevigheid plaatsvindt tegen een bedrag waarbij sprake is van verrijking / verarming, is er sprake van een schenking. Die schenking wordt dan gewaardeerd met toepassing van de vruchtgebruiktabellen van het Uitvoeringsbesluit Successiewet.
**VERVOLG VOORBEELD:**
Een langstlevende ouder (71 jaar) heeft een statistische levensverwachting van 15 jaar. De renteloze overbedelingsschuld aan het kind bedraagt nominaal € 100.000, opeisbaar bij overlijden langstlevende ouder. De actuele rente op spaargeld voor een termijn van 15 jaar bedraagt 3% per jaar. Ouder en kind komen overeen dat de ouder uit vrijgevigheid de schuld aflost door € 80.000 te betalen. Een derde zou € 70.000 betalen voor deze vordering, dus er is sprake van verrijking van het kind.
**VERVOLG UITWERKING**
De ouder lost uit vrijgevigheid de schuld af door betaling van een hoger bedrag dan de met de spaarrente bepaalde contante waarde van de schuld (van € 64.186). Door de hogere aflossing is er sprake van verarming van de ouder. Het kind verrijkt omdat de aflossing hoger ligt dan de marktwaarde van de vordering. Er is derhalve sprake van een schenking. Voor toepassing van de Successiewet doet de ouder door de aflossing afstand van zijn vruchtgebruik. Afstand van vruchtgebruik wordt gewaardeerd met toepassing van de vruchtgebruiktabellen.
Het vruchtgebruik van € 100.000 bedraagt gezien de leeftijd van 71 jaar, 42% ofwel € 42.000. De bloot-eigendom bedraagt derhalve € 100.000 — € 42.000 = € 58.000. Door de aflossing betaalt de ouder € 80.000 voor iets dat binnen de Successiewet een waarde heeft van € 58.000. De schenking is dan het verschil, of € 22.000.
**Rentedragende schuld**
Het komt regelmatig voor dat een overbedelingsschuld rentedragend is. Ook die rente is dan pas opeisbaar als de hoofdsom opeisbaar, meestal bij het overlijden van de langstlevende ouder. Ook dan is sprake van een vruchtgebruik in de zin van de Successiewet, indien de rente lager is dan 6% samengestelde intrest. Als de rente van het testament of renteafspraak enkelvoudig is, moet deze eerst naar een samengestelde rente worden omgerekend, omdat de 6% van de rekentabellen een samengestelde rente is (zie HR 11 juli 1989, BNB 1989/2650).
**VOORBEELD RENTEDRAGENDE SCHULD**
Een eerststervende ouder is precies vijf jaar geleden overleden. De langstlevende ouder (71 jaar) heeft op moment van aflossen een statistische levensverwachting van 15 jaar. De overbedelingsschuld aan het kind was in aanvang € 100.000 en draagt een rente van (omgerekend) 2,5% samengestelde intrest. De schuld is daardoor op aflosdatum aangroeid tot € 113.140. De actuele rente op spaargeld voor een termijn van 15 jaar bedraagt 3% per jaar. Ouder en kind komen overeen dat de ouder uit vrijgevigheid de schuld aflost door € 100.000 te betalen. Een derde zou € 90.000 betalen voor deze vordering.
**VERVOLG UITWERKING**
Het aflosbedrag is hoger dan de marktwaarde van de vordering, zodat sprake is van verrijking van het kind. Blijft de vraag of sprake is van verarming. Voor het bepalen van de verarming wordt dezelfde rekenmethode als hiervoor toegepast, aangepast met de rente. De rentedragende schuld zal over 15 jaar verder zijn aangegroeid tot € 148.594. De ouder moet bij een depositorente van 3% samengestelde intrest een bedrag van € 95.380 wegzetten om over 15 jaar het bedrag van € 148.594 bijeen gespaard te hebben [€ 148.594 gedeeld door (1,03)¹⁵ is € 95.380]. De ouder lost af door betaling van € 100.000 en betaalt dus meer dan de contante waarde van de schuld, zodat sprake is van verarming. Omdat de vrijgevigheid gegeven is, is sprake van een schenking.
Voor de fiscale waardering van de gift komen de vruchtgebruiktabellen weer om de hoek kijken. De schuld draagt 2,5% aan samengestelde rente, zodat sprake is van een gedeeltelijk vruchtgebruik. Daardoor is het vruchtgebruik minder waard en de bloot-eigendom meer. Het vruchtgebruik wordt dan berekend door de leeftijdsfactor 7 te vermenigvuldigen met (6% minus 2,5%) = 24,5%. Op aflosdatum is het vruchtgebruik 24,5% van € 113.140 zijnde € 27.719. De bloot-eigendom is dan waard: de schuld op aflosdatum van € 113.140 minus het daarop rustende vruchtgebruik van € 27.719 oftewel € 85.421. Door met € 100.000 af te lossen, heeft de langstlevende ouder een schenking gedaan die binnen de Successiewet wordt gewaardeerd op € 100.000 — € 85.421 = € 14.579. Dat is dan de waarde van verkrijging voor de schenkbelasting.
**Huidige rentestand**
Op dit moment (voorjaar 2021) is de depositorente laag. Dat betekent dat de ouder nu een bedrag van (bijna) de schuld op het moment van aflossen moet wegzetten om bij het statistisch aflosmoment het aflossingsbedrag bij elkaar gespaard te hebben. Aflossing door de ouder tegen de actuele waarde van de schuld is daarom bij de huidige rentestand bijna nooit een schenking.
**Art. 9 SW**
Let op. Er kan ook sprake zijn van schenking als de rente van de overbedelingsschuld meer bedraagt dan 6% samengesteld. De schuld draagt dan een bovenmatige rente. Aflossing is dan een fictieve schenking van het bovenmatige deel van de rente (art. 9, tweede lid, SW).
Mr. P. Blokland in Compendium Estate Planning, 7° druk 2019, schrijft op bladzijde 204:
“Anders gezegd: de contante waarde van de vordering is het bedrag dat op het moment van de aflossing door de schuldenaar op de bank gezet zou moeten worden om op het moment van het overlijden van de schuldenaar het nominale bedrag te ontvangen.”
Hoogachtend,
namens Belastingdienst/Kennisgroep Successiewet
5.1.2e
Geef een reactie