1774389

AI-samenvatting

Deze memo behandelt de juridische status van een Franse vermogensbeheerder die een SCI opricht voor de aankoop van onroerende zaken in Nederland. De conclusie is dat de SCI als rechtspersoon wordt erkend onder de Wet op belastingen van rechtsverkeer, en dat de SCPI's geen economische eigendom verkrijgen van de onroerende zaken van de SCI.

Kennisgroepstandpunt

Download kennisgroepstandpunt in origineel PDF-formaat

**Belastingdienst**
**Memo**

**1.0 Feiten**
Een Franse vermogensbeheerder zet de volgende investeringsstructuur op om in Nederland onroerende zaken te kopen.
Er wordt een Franse vennootschap opgericht in de vorm van een Société civile Immobiliére (hierna: SCI). Deze vennootschap zal de onroerende zaken op eigen naam verkrijgen. Na de verkrijging bestaan de bezittingen van de SCI voor meer dan 50% uit Nederlandse onroerende zaken. Deze onroerende zaken zullen worden verhuurd aan derden.
Vennoten in de SCI zullen zijn naar Frans recht opgerichte vennootschappen in de vorm van een Société civile de Placemants Immobiliére (hierna: SCPI). De vastgoedportefeuille van de SCPI’s zal voor minder dan 30% bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken.

De SCI heeft de volgende kenmerken:
– Het is een rechtspersoon;
– Het kapitaal is verdeeld in participaties met de volgende kenmerken:
– De participant heeft recht op de (totaal)winst naar evenredigheid van het percentage aan participaties dat hij houdt;
– De participant is bevoegd om zoveel stemmen uit te brengen als het aantal participaties dat hij houdt met betrekking tot beslissingen van de SCI;
– De participaties zijn vrij overdraagbaar tussen de participanten, de overdracht aan derden vereist toestemming van het bestuur van de SCI;
– Een participant is onbeperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de SCI naar rato van het aantal participaties dat hij houdt;
– De SCI mag geen onderneming drijven;
– De SCI is geen fonds als bedoeld in artikel 1:1, van de Wet op het financieel toezicht.

De SCPI heeft de volgende kenmerken:
– Het is een rechtspersoon;
– Het kapitaal is verdeeld in units met de volgende kenmerken:
– De unithouder heeft recht op de (totaal)winst naar evenredigheid van het percentage aan units dat hij houdt;
– De unithouder is bevoegd om zoveel stemmen uit te brengen als het aantal units dat hij houdt met betrekking tot beslissingen van SCPI;
– Investeerders kunnen investeren in een SCPI door middel van (i) de verkrijging van units of (ii) door middel van storting op bestaande units.
– De participaties zijn vrij overdraagbaar;
– De participanten zijn beperkt aansprakelijk voor de verbintenissen van de SCPI naar rato van hun belang in de vennootschap.
– De bezittingen van de SCPI's bestaan, ook na de verkrijging, voor minder dan 30% uit Nederlandse onroerende zaken.

**2.0 (Rechts)vragen**
2.1 Is een SCI een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna WBR)?
2.2 Verkrijgen de SCPI’s de economische eigendom van de Nederlandse onroerende zaken in samenhang met de verkrijging van deze onroerende zaken door de SCI?
2.3 Is artikel 4 WBR een lex specialis van artikel 2 WBR?

**3.0 Beschouwing**
3.1 Is een SCI een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer?
Artikel 4, eerste lid, letter a, WBR luidt als volgt:
Als zaken als bedoeld in artikel 2 worden mede aangemerkt (fictieve onroerende zaken):
a. aandelen in een rechtspersoon, waarvan de bezittingen op het tijdstip van de verkrijging of op enig tijdstip in het daaraan voorafgaande jaar grotendeels bestaan of hebben bestaan uit onroerende zaken en tegelijkertijd ten minste 30% van de bezittingen bestaat of heeft bestaan uit in Nederland gelegen onroerende zaken, mits de onroerende zaken, als geheel genomen, op dat tijdstip geheel of hoofdzakelijk dienstbaar zijn of waren aan het verkrijgen, vervreemden of exploiteren van die onroerende zaken;

Gegeven het feitencomplex dient enkel nog de vraag te worden beantwoord of de participaties waarin het kapitaal is verdeeld kunnen worden gelijkgesteld met aandelen. Deze vraag is in de procedure Scheepjeshof aan de orde gekomen. Met verwijzing naar de Hoge Raad concludeert de AG dat een maatschap (op aandelen) onder artikel 4 WBR kan vallen.

Dit in ogenschouw genomen is het belangrijkste kenmerk van een aandeel als bedoeld in artikel 4 eerste lid, letter a, WBR dat de aandeelhouder (participant) recht heeft op een evenredig aandeel in het kapitaal. Dit uitgangspunt is nog steeds geldend recht.

De vraag die vervolgens opkomt is of de hoofdelijke aansprakelijkheid van de participanten voor de schulden van de vennootschap ertoe leidt dat er geen sprake is van aandelen als bedoeld in artikel 4 WBR. Deze vraag is ontkennend beantwoord door Meering in zijn noot bij een uitspraak van de Hoge raad uit 1976.

De conclusie luidt dat SCI een rechtspersoon is met een in aandelen verdeeld kapitaal als bedoeld in artikel 4, eerste lid letter a, WBR.

3.2 Verkrijgen de SCPI's de economische eigendom van de Nederlandse onroerende zaken in samenhang met de verkrijging van deze onroerende zaken door de SCI?
Een van de kenmerken van een SCI is de onbeperkte aansprakelijkheid van de participanten voor de verbintenissen van de SCI naar rato van het aantal participaties dat hij houdt. Dit betekent dat als de SCI haar verbintenisrechtelijke verplichtingen niet nakomt elke participant daarvoor aansprakelijk kan worden gesteld.

Dragen de participanten dan het rechtstreekse risico van waardeverandering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, WBR? Met andere woorden is er sprake van economische eigendom nu de participanten, met betrekking tot de resultaten van de vennootschap, de baten indirect ten goede komen en voor wat betreft de lasten zij een direct en onbeperkt risico lopen?

Artikel 2, tweede lid, WBR luidt als volgt:
“Voor de toepassing van deze wet wordt onder verkrijging mede begrepen de verkrijging van de economische eigendom. Onder economische eigendom wordt verstaan een samenstel van rechten en verplichtingen met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde onroerende zaken of rechten waaraan deze zijn onderworpen, dat een belang bij die zaken of rechten vertegenwoordigt. Het belang omvat ten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een ander dan de eigenaar of beperkt gerechtigde.”

Een SCI is een rechtspersoon met een in aandelen verdeeld kapitaal. De aandeelhouders in de SCI (de SCPI’s) hebben krachtens hun aandelenbezit wel een economisch belang bij de bezittingen van de SCI, maar geen belang als bedoeld in artikel 2, tweede lid, WBR. De rechtsverhouding tussen aandeelhouder en rechtspersoon/SCI laat zich niet kwalificeren als een samenstel van rechten en verplichtingen in de zin van artikel 2, tweede lid, WBR.

Conclusie: de bezittingen van de SCI behoren zowel juridisch als economisch toe aan de SCI. De aandeelhouders van de SCI zijn in de zin van artikel 2, tweede lid, WBR geen economische eigenaren van de onroerende bezittingen.

3.3 Is artikel 4 WBR een lex specialis van artikel 2, WBR?
In het Scheepjeshofarrest is beslist door de Hoge Raad dat artikel 4 WBR een lex specialis is ten opzichte van artikel 2, tweede lid, WBR. Men kan zeggen dat dit sinds 1 januari 2014 niet langer het geval is, omdat sindsdien samenloop van beide bepalingen niet meer mogelijk is: bij verkrijging van aandelen in een rechtspersoon is artikel 4 van toepassing, bij verkrijging van aandelen in het vermogen van een niet-rechtspersoon is artikel 2, tweede lid, WBR van toepassing.

**4.0 Antwoord**
4.1 Is de SCI een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, WBR?
De SCI is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, letter a, WBR.

4.2 Verkrijgen de SCPI’s de economische eigendom van de Nederlandse onroerende zaken in samenhang met de verkrijging van deze onroerende zaken door de SCI?
De SCPI's verkrijgen krachtens hun aandelen in de SCI niet de economische eigendom als bedoeld in artikel 2, tweede lid, WBR met betrekking tot de onroerende activa van de SCI.

4.3 Is artikel 4 WBR een lex specialis van artikel 2 WBR?
Artikel 4 is sinds 2014 geen lex specialis meer ten opzichte van artikel 2, tweede lid, WBR. Artikel 2, tweede lid belast de directe verkrijging en artikel 4 belast de indirecte verkrijging van economische eigendom van onroerende zaken.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Belang: